is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetgeen Leander hen van den toren had verteld, kwam er een breed dubbel vlot den Rijn af.

„Dat drijft daar zoo kalm den stroom af, alsof er geeu Spanjaarden links en geen Zweden rechts waren," zeide Yalentijn. „Drie dingen zijn slechts mogelijk, de knapen, die er boven op bezig zijn, hebben of een zuiver geweten of zij zijn groote waaghalzen, of zij hebben een hongerige maag, dat zij er niet 0111 geven als er eens een paar kogels over hunne hoofden heen naar den anderen oever worden gezonden."

Halt Valeutijn, ik heb het gevonden! Die arme drommels daar brengen mij op het denkbeeld, hoe wij den Muizentoren gemakkelijk in handen kunnen krijgen. Nu zijn zij dicht bij den toren, kijk en de Spanjaarden, die er in zijn, zien in in het geheel niet naar hen om. Weet je wat Valeutijn, wij zullen eens de rol van vlotters spelen. Een eind boven Rüdesheim bij Geisenheini liggen een paar vlotten. Eer de Spanjaarden eenig kwaad vermoeden kloppen wij aan de poort en zeggen : „Goeden dag Senores, daar zijn wij ! '

Wat zeg je daarvan ?"

„Dat het een prachtig denkbeeld is. Maar ik moet van de partij zijn, dat zal me een vroolijke tocht worden."

„Dan moeten we ons ook maar niet lang bedenken en van avond nog aan het werk gaan. Rij maar terstond naar Geisenheini, bied den vlotters een flinke som en gelast hen hun mond te houden, weigeren zij, dan keer je ontniddelijk terug en nemen wij hen gevangen. Ik rijd naar den hertog,

daar kun je me vinden."

„Het plan is goed, aan de uitvoering zal het niet liggen.

Goed gras geeft goed hooi !"

Vier en twintig uur later was de Muizentoren in handen van hertog Bernhard van Saksen Weiniai.

„Dat heb je eens netjes opgeknapt, commandant van den Muizentoren!" riep hertog Bernhard uit, toen hij zelt het eiland bereikte. Terwijl Berthold met eenige vendels zijn plan uitvoerde had de hertog veel drukte laten maken op den Rüdesheimer oever met het uitzetten van eenige bootjes,