is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arm in arm liepen de broeders door de dorpstraat naar de herberg, waar het rumoerig toeging, maar waar men toch terstond plaats maakte voor kapitein Von Steinach. Berthold had brood en wijn meegebracht in zijn zadeltasch, in het dorp, ja zelfs in den herberg was zoo goed als niets te krijgen. Toen beide zich hadden verkwikt, zeide Winfried: „Je schijnt groot aanzien te genieten hier in liet leger, Berthold, dat zij mij zonder slag of stoot vrijlieten."

„Dat is geschied op bijzonder bevel van hertog Bernhard. Ja, ik mag gerust zeggen, dat ik bij hem wat beteeken, wij hebben menige schermutseling, menig beleg en menigen slag met elkander beleefd. Vandaag heb ik zijn vriendschap, dunkt me, wel bijzonder verdiend. Tweemaal werd hem zijn paard onder zijn lichaam doodgeschoten, beide malen heb ik hem zonder aan mijn eigen leven te denken in mijn zadel geholpen. Ik heb mij dan ook in het minst niet bezwaard gevoeld zijn geschenk, jou persoon, aan te nemen."

„Herinner je je nog, Berthold, hoe wij voor onzen eersten slag het erfstuk van onze moeder verdeelden? Jij kreeg het kruis, ik de ketting; het kruis heeft als amulet en zegepenning betere diensten bewezen."

„Is het je dau zoo slecht gegaan, arme kerel?"

,/In Halberstadt, Praag en in Wiesenthal, ja! Na de pokken was alle levenslust bij mij verdwenen. Had ik Johann Von Werth niet ontmoet dan was er niet veel van mij terecht gekomen. De man bezit een demonisch geweld over de menschen, ook over mij. Eerlijk gezegd dank ik hem meer dan ik hem ooit kan vergelden: het herstel mijner ziel. Hij is de rechte dokter voor zulke zieken, als ik was. Zijn vijanden noemen hem den zwarten duivel en er zitten inderdaad verscheiden bittere omhulsels om zijn echt menschelijk hart. Ik zie hem nog voor mij hoe hij een arme verloren kerel, die anders een brave vent, in dronkenschap zich had .vergrepen aan een officier, uit de handen van den provoost bevrijdde. „Laat dat zwijn loopen, roode," schreeuwde hij den provoost-geweldige toe, „hij kan morgen zijn plezier wel op,