is toegevoegd aan uw favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

manschappen in twee gelijke helften. Vijftig onder zijn eiaen aanvoering rekende hij voldoende om den eersten uitvaf te wagen en zich meester te maken van de schildwachten. De deur van de kerk was door den priester aan den binnenkant gesloten, de sleutel stak in het slot, breekijzers waren dus overbodig. De andere vijftig mannen zouden in geval van nood den terugtocht door de kerk dekken omdat het geheim van den Dilsberg met zijn onderaardsche gang nu toch moest worden prijsgegeven, in het gunstigste geval dacht Berthold door deze verdeeling de manschappen van de bezetting tusschen twee vuren te brengen. Al zijne manschappen waren bewapend met een degen, twee pistolen en een karabijn, hij beval echter de eerste voor de bestorming van de schildwachten bestemde vijftig man, slechts in den uitersten nood van de schietwapenen gebruik te maken.

Nu werden er een paar vensters in de kerk geopend om beter het begin van Valentijn's kanonnade te kunnen hooren, waarop men wachtte om tot den aanval over te gaan. . . .

Berthold was in een der banken gaan zitten en wachtte met zijne manschappen. Eindelijk brak de morgenschemering aan . . . een doffe knal uit de diepte . . . Valentijn liet zijn stem vernemen. Het uur van de beslissing was aangebroken. Berthold staat op, stelt zich aan het hoofd zijner s.-hare en na den luitenant, die de achterblijvende vijftig man zal aanvoeren nog eenmaal kort zijne bevelen te hebben herhaald, gelast hij de deur te openen. Geen strijdkreet wordt er aangeheven. Halfduister is het nog op het slotplein voor de kerk. De poort, die toegang verleent tot de vesting, is spoedig gevonden. Daar die donkere poort moet het zijn, in de kamer er naast brandt nog licht ... het is zeker het vertrek van de wacht, daar moeten de sleutels voor de poort en de ophaalbrug zijn te vinden. Nu . . . voorwaarts!

Met den stormpas snelt de troep, de aanvoerder met getrokken zwaard aau het hoofd, het ruime slotplein over. Nog hoort men geen enkelen kreet. In eenige bijgebouwen,