is toegevoegd aan je favorieten.

Onder de vanen van vriend en vijand

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleden als het bisdom Halberstad. Zesmaal hebben Zweden en keizerlijken elkander afgewisseld in het bezit van de stad, telkens is de stad verdedigd, veroverd, uitgeplunderd.

Lange jaren ging Eusebius kalm zijn gang als ziekenoppasser zonder de hulpbehoevenden naar hun geloof te vragen en dat is zijn verderf geworden. Banner, de wilde Zweedsche generaal is tien jaar na zijn verblijf in Halberstadt onder zijn handen gestorven. Geloofshaat en laster spaart ook het reinste karakter niet, iudien hij hinderlijk schijnt te zijn. Het was eeuige katholieke priesters reeds lang een doorn in het oog, dat de goede Eusebius zich over Banner had ontfermd en toen na den dood van Banner de stad weder in handen van de keizerlijken kwam, begon zij bij den aartshertog-bisschop Wilhelm Leopold hun schandelijk spel. Zij belasterden den pater, dat zijn overgang tot de katholieke kerk slechts voor den schijn was geschied en dat hij in zijn hart protestant was gebleven. Men had het nu in dit geval met Banner duidelijk kunnen waarnemen, dat hij het met de Zweden hield. Bovendien werd er nog van verraad gesproken en op zekeren nacht werd hij opgelicht daar men het volk vreesde, wiens afgod Eusebius was, zoo men dit bij klaarlichten dag deed. Lang heeft hij in de gevangenis gesmacht, totdat de cipier werd vervangen door een jongen man, die Eusebius kende en veel aan hem verplicht was. Uit dankbaarheid vergat hij op zekeren nacht de deur te sluiten en de gevangene ontsnapte.

Eusebius schudde het stof van zijne voeten: hij had genoeg van het bisdom, waarin hij onzelfzuchtig het menschdom had gediend. Hij doet een pelgrimstocht nu naar Rome en het Heilige land. In onze buurt gekomen hoorde hij van den Dilsberg spreken, hoorde onzen naam noemen en herinnerde zich mijner: aldus kwam het, dat hij aan onze poort klopte. De schildwachten waren niet weinig verbaasd, dat een monnik in zijne bruine pij naar mij vroeg.

Tevergeefs heb ik hem verzocht onze vesting als zijn nieuw vaderland te beschouwen, hij blijft er bij het rijk met den