is toegevoegd aan uw favorieten.

Drijfwerken met onderdeelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De stralen der grondcirkels zijn :

Pl = sin 750 = 0,966 Rl p2 = R2 sin 75° = 0,966 R.2

Uit Ri «j = R'2 cti-2 volgt derhalve:

Pl ci) 1 = p2 U2.

of:

De grondcirkels hebben ook gelijke omtrekssnelheid, zoodat ook op deze cirkels gelijke stukken kunnen worden uitgezet.

Gaat men de slijtage van evolvente tanden na, dan neemt deze toe van den kop tot aan het beginpunt van de evolvente op den grondcirkel, zoodat aan den voet de slijtage het sterkst is.

De maximum duur van ingrijping mag den afstand niet

overschrijden; buiten deze punten zou de kromming der beschreven evolventen omkeeren en goede aanraking niet meer mogelijk zijn.

Om aan deze voorwaarde te voldoen, zal men bij groote verhouding in overbrenging den kop van den tand van het groote wiel kleiner, den voet langer moeten nemen, terwijl bij het kleine wiel juist omgekeerd gehandeld wordt. Dit levert tevens het voordeel, dat de slijtage meer gelijk over het geheele profiel van den tand wordt verdeeld, waarom het ook voor eiken evolvente tandvorm gebruikt kan worden.

(Tandvorm van de A. E. G.)

Evolvente tandraderen met ingrijplijn onder denzelfden hoek en met gelijken steek, zijn als wisselraderen te gebruiken, daar bij een bepaalden grondcirkel slechts één bepaalde evolvente behoort.

De middelpunten van twee op elkaar werkende evolvente tandraderen kunnen derhalve iets verplaatst worden, zonder dat dit van invloed is op het goede loopen.

Evolvente heugel. Fig. 31.

Wordt de straal van een der steekcirkels oneindig groot, dan ontstaat de tandheugel. De rechte tandflank staat dan loodrecht op de ingrijplijn.

Bij evolvente tandvorm wordt in den regel de steek in m.M. een veelvoud van % genomen, waardoor de middellijn van den steekcirkel een meetbaar getal is.