Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belmoren. Velen staan bovendien geheel alleen op de wereld en ondervinden dat de zorg van vreemden niet alles is. En dat een en ander wordt den met sprekende voorbeelden gestaafd, zoodat wie destijds het van zoo goed inzicht en veel mededoogen getuigend artikel heeft gelezen, geen oogenblik getwijfeld heeft aan de noodzakelijkheid, dat in ons vaderland éene gelegenheid zou worden geopend, waarin zij, die lijden aan de treurige kwaal der epilepsie, eene vorzorging zouden genieten, die beantwoordt aan de eischen van hun zeer bijzonderen toestand.

Evenwel, gelijk wij boven reeds zeiden, groote plannen vormde men niet. 't Had niets van wat men wel eens noemt: „de zaak in eens ferm aanpakken." Er werd — wel heel gelukkig — door niemand gedacht, veel minder gezegd: laat ons voor ons een naam maken en een toren bouwen. Alles was hoogst eenvoudig. En er was eigenlijk meer vrees, bezorgd tegen opzien, dan moed, veel minder nog overmoed. Men gevoelde diep den ernst der zaak, evengoed ais de wijze man, een bekwaam en geacht medicus, die, naar zijn oordeel gevraagd, niet anders kon dan het zeer beslist ontraden, zich een taak, die voor zoo groote bezwaren zou plaatsen en zeker een aantal bijzondere moeilijkheden zou opleveren, te kiezen. Maar er was liefde, en deze sprak luide tegen alle erkende bezwaren in. „Ik doe het toch" was het fiere geloofswoord der voortreffelijke jonkvrouw, wier naam wij nu gaan noemen, en die het eerst moet genoemd worden, wanneer er over den arbeid der christelijke verpleging van toevallijders in Nederland gesproken wordt, jonkvrouw A. J. M. Teding van Berkhout te Haarlem. Vast was hare overtuiging dat de tijd voor ons land gekomen was om zich aan de verzorging der reeds genoemde lichamelijke en in de meeste gevallen

Sluiten