is toegevoegd aan uw favorieten.

Gedenkschrift

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ellendigen — liet aantal onzer vrouwelijke patiënten heeft het getal van ongeveer 200 bereikt — en alzoo barmhartigheid te betoonen in blijmoedigheid.

De zusters — dit mag met dankbaarheid getuigd worden — gevoelen zich in onze Inrichting als in haar eigen „te huis" recht gelukkig. Niemand, die ze daar ooit gadesloeg, zal ooit een indruk van het tegendeel hebben ontvangen. Met de kranken, groot en klein, gaan zij op en neer, en over deze wordt daar als „de kinderen" gesproken. Zonder dagelijks terugkeerende moeilijkheden gaat de arbeid niet, maar des ondanks doen zij wat er te doen valt en dat is veel — met opgewektheid. Er wordt veel gezongen, ook onder den arbeid, en de zusters doen daar niet alleen aan mede, maar gaan daarin voor. Het medisch onderwijs der geneesheeren doet de proetzusters vorderen in kennis van het menschelijk lichaam en de eischen eener goede verpleging, en de „beroepslessen , die den Directeur aan oudere zusters en Br. Hoekendijk aan de nieuwelingen geeft, brengen allen telkens bij vernieuwing den ernst van het werk onder de aandacht De Besturende Zuster geeft er geregeld „bijbelles", en, geholpen door particulieren, die veel voor de Inrichting en het diakonessenwerk gevoelen, wordt er taal-, muziek- en zangonderwijs gegeven. De zusters nemen natuurlijk deel aan de godsdienstige samenkomsten met de kranken, doch bezoeken ook de godsdienstoefening in de stad, — en zij genieten mede van hel genot van zoo menigen feestavond, als het alledaagsche leven komt afwisselen en waartoe belangstellenden van buiten vaak hunne gaven besteden. Een „familie-avond" is voor de zusters hoogst gezellig, en een bidstond geregeld gehouden, draagt niet weinig bij om de onderlinge eensgezindheid te bevestigen.

Ieder vrage het onze zusters, hoe zij het hebben,