Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en zij aarzelen niet niet een regel uit een gezangvers te antwoorden: „Voorwaar, wij hebben het goed."

Wist dat zoo menige jonge dochter; kon dat geloofd worden door zoo menigeen, die wel aanleg en gaven bezit voor het diakonessenwerk, maar zich door allerlei vooroordeelen er van laat terughouden, zij zouden hier een uitnemende gelegenheid kunnen vinden om den lieer te dienen in zijn armen en ellendigen. Ach, zuchten en bidden wij vaak, ook met het oog op den arbeid naar buiten, die zoo telkens van ons gevraagd wordt: Mocht het getal onzer zusters maar meer aangroeien!

Verlaten wij Haarlem en richten wij ons oog naar Heemstede. Als wij mannelijke patiënten zullen verplegen, dan moet er een Directeur komen, zóó had men geoordeeld, en daarnaar heeft men gehandeld. Hieruit volgt dat de benoeming van eer; Directeur, dien het Bestuur gevonden had in den beminnelijken Ds. L. H. F. Creutzberg te Woudenberg, wiens aanstelling mogelijk was geworden, doordat sommige bestuursleden gedurende vijf jaren voor zijn salaris zouden instaan, en die zich met al de liefde van zijn ruim hart en alle hem ten dienste staande krachten terstond geheel gaf aan een werk, dat voor hem zooveel bekoorlijks had, dat diens benoeming, zij het dan al niet uitsluitend, dan toch voornamelijk geschiedde met het oog op Meer en Bosch.

Zuster van Baarda, met de leiding der jongens belast, klaagde over het moeilijke van hare taak. De knapen, aan wie om hunne kwaal te huis zoo veel was toegegeven, moesten nu aan tucht, gehoorzaamheid en werkzaamheid worden gewend. Dit ging niet gemakkelijk. Voor de tucht was een mannelijke hand noodig, en, om de hevigheid der toevallen, bovendien

Sluiten