Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een enkele in de vergaderingen des Bestuurs aanbevolen. Toen er in 1884 sprake kwam van de aanstelling van een Directeur voor de Inrichtingen, en men daarvoor uitzag naar een predikant, was er een bestuurslid, dat voor die taak een medicus meer aangewezen achtte dan een pastor, en dit aldus motiveerde: bij de verpleging van epileptischen mag men niet uit het oog verliezen, dat men met eene lichamelijke krankheid te doen heeft, en middelen ter genezing moeten worden gezocht. Doch zonder dit ook maar even te betwisten, integendeel dit ten volle beamende, verklaarden toch alle andere bestuursleden: hoofdzaak moet zijn en blijven de geestelijke leiding.

Den Directeur moet kunnen worden toevertrouwd de herderlijke zorg voor de kranken en die hen verplegen ; de opleiding van allen, die zich aan den arbeid der dienende liefde willen wijden; de prediking, het godsdienstonderwijs; in het algemeen die geestelijke leiding, die in onze Inrichtingen noch patiënten noch verplegenden mag worden onthouden. En hiermede kan niet een medicus als zoodanig worden belast.

Toen evenwel voor de tweede maal een Directeur moest worden benoemd, werd door dezelfde stem van zes jaren vroeger uitgesproken dat het doel der Vereeniging volgens hare statuten is lijders aan vallende ziekte te verplegen, en het dus voor de hand ligt dat een geneesheer als Directeur aan het hoofd der Stichtingen daar meer op zijn plaats is dan een predikant. Bovendien zouden de Inrichtingen met een geneesheer als Directeur meer vrucht kunnen plukken van de wetenschap. En als Dr. Heldring tot Directeur is benoemd, doch bedankt, en er dus, nu voor de derde maal, een keuze moet gedaan worden, klinkt die zelfde stem opnieuw in de bestuursvergadering. Telkens echter is ze beantwoord met een heenwijzing naai'

Sluiten