Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het karakter der Vereeniging, volgens hetwelk niet de geneeskundige behandeling, hoe onmisbaar ook, maar de geestelijke leiding op den voorgrond moet treden. Ook met het oog op de opleiding der broeders en ook wijl een Evangeliedienaar door zijn ambt meer in staat is liefde en belangstelling voor de zaak in de Gemeente te wekken, meende men, mocht aan liet hoofd der Inrichting niet een medicus staan.

Dit beginsel is dan ook trouw gehandhaafd, en door niemand der behandelende geneesheeren, die ons hunne diensten hebben willen bewijzen, is daartegen ooit eenige bedenking ingebracht.

Van dezen sprekende kan niet anders dan met innige dankbaarheid, maar ook met diepen weemoed, worden gedacht aan wijlen den voortrcffelijken Dr. S. Posthuma, den man, die op de ontwikkeling van ons werk grooten invloed had en zich in den bloei onzer Vereeniging zoo hartelijk verheugde.

Toen met de verpleging van epileptischen zou worden aangevangen, werd hij uitgenoodigd een jaar lang de Vereeniging te helpen. Volgaarne verklaarde hij zich bereid dit, zelfs kosteloos, te doen. Maar niet slechts een jaar, — zoolang bij leefde en kon, heeft hij dit volgehouden. Toen het aantal patiënten steeds aangroeide liet zijn bezoek door zijn eigen meer dan drukke praktijk wel eens te wenschen over, wat meermalen onzerzijds een klacht uitlokte, en den Directeur deed spreken van de wenschelijkheid der aanstelling van een geneesheer, die op vaste tijden de Inrichting zou kunnen bezoeken. Maar èn de liefde van den beminden dokter voor de zaak, die hij als zijn eigen zaak beschouwde, èn onze gehechtheid aan hem, weerhielden ons van hem daarmede te bedroeven. Wel werd hem ons bezwaar overgebracht en deed hij meer voor ons dan waartoe zijn praktijk hem tijd en krachten

Sluiten