Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelde veel voor de groote beteekenis van liet diakonenwerk, en gaf zich daaraan terstond met geheel zijn hart en zijne krachten. En al spoedig meende men nu op betere dagen te mogen hopen. Zes maanden na de komst van den nieuwen Directeur telde men reeds 20 broeders, en het werd vooral met het oog op de verbetering, die in de opleiding werd aangebracht, noodig geacht dit aantal nog uit te breiden. Weinig was nog geregeld, en daardoor komt het den ouderen broeders wel eens voor dat hetgeen vóór 1890 geschiedde, slechts voorbereidende werkzaamheden zijn geweest. Dit is nu wel niet zoo, maar toch na het optreden van den nieuwen Directeur verkreeg alles meer vasten vorm en werden ook de bestaande bepalingen meer nageleefd. Een jongeling, die aangenomen werd, moest eerst een vóórproeftijd van een half jaar doormaken, en gedurende die zes maanden voor zijn eigen kleeding zorgen. Werd hij daarna waardig geacht als proefbroeder te worden aangenomen, dan ontving hij een geheele uitrusting van de Vereeniging, waaronder ook het „broederpak", waarvan stof en vorm was bepaald en waarvan door niemand mocht worden afgeweken. Niet binnen de twee jaar, die daarna verliepen, zou de inzegening tot diakoon kunnen plaats hebben. Dat minimum van tijd voor de voorbereiding en de opleiding is in elk geval tot minstens vier jaar uitgezet.

In het jaar 1891, den 10611 Mei, had voor de eerste maal de „inzegening" van broeders plaats. Vier der oudste werden in het kerkgebouw der Ned. Herv. Gemeente te Heemstede in tegenwoordigheid van eene groote schare belangstellenden, met oplegging der handen door den Voorzitter des Bestuurs, Ds. G. A. Hoog, tot liet diakonenambt gewijd. Deze plechtige handeling geschiedde nadat door de vier

Sluiten