Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen. In 31 gezinnen kon dan toch de zoo noodige hulp met den broeder binnen komen. In het volgende jaar was dit met 21 van de 41 aanvragen het geval. Toen telde men 454 etmalen voor particuliere verpleging. In 1893 werden 50 kranken geholpen met 1105 verpleegdagen buiten de Inrichting. In 1890 bedroeg dit cijfer 1090 dagen. In 1897 steeg het aantal aanvragen tot 107, doch daarvan moesten er 37 worden afgewezen, natuurlijk uit gebrek aan beschikbare personen. Naarmate er nu meer broeders op vaste posten werden geplaatst, was het aantal aanvragen, dat ontkennend moest beantwoord worden, grooter. In 1897/98 moest op 81 aanvragen 52 maal geantwoord worden met het al te bekend geworden telegrafisch bescheid: „Geen broeder beschikbaar." In 1898,99 ging dat antwoord 34 maal op 55 aanvragen, een volgend jaar 58 maal van de 85, en in 1900/1 kon men maar in 37 van de 70 gevallen helpen. Het werd steeds meer met die afwijzingen. In 1901/2 61 verzoeken en 53 afgewezen. Gevolg was dat de aanvragen afnamen. Men wist haast vooraf welk antwoord men te wachten had. In 1903/4 vroeg men slechts 35 maal om hulp, en daaraan kon nog maar in 12 gevallen worden voldaan, in 1904/5 in 10 van de 32, in 1905/6 in 10 van de 39 aanvragen. Het viel ons smartelijk, maaier was weinig tegen te doen. Het aantal buiten werkzaam gestelde broeders werd grooter, het getal verpleegden in de eigen Inrichting groeide aan, en in verhouding tot dit een en ander wies het aantal nieuwe broeders niet.

Nu zal het ieder duidelijk zijn dat de Directeur, die al het verdriet van dat weigeren ondervond, altijd door naar vermeerdering van goede krachten uitzag. Helaas! de resultaten waren niet altijd naar wensch. Niet allen, die zich aanmeldden, konden of mochten

Sluiten