Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elke vergadering kwam dit treurig onderwerp aan de orde, en telkens werd op den voorgrond gesteld dat de Vereeniging een philanthropisch karakter liacl en moest bewaren.

Zoo ook werd op verpleging voor niet of tegen verminderd tarief aangedrongen, wanneer diakoniën, vooral van kleine dorpen, ons een patiënt wilden toevertrouwen. Maar is het wonder, dat er telkens ook geantwoord werd: Wanneer het volle verpleeggeld wordt betaald, kosten de patiënten ons toch reeds veel meer; de Inrichting is daardoor reeds eene liefdadigheidsinstelling. Bovendien vreesde men voor misbruiken. Er zou op worden gespeculeerd. En dan kwam er nog bij dat de verpleeggelden, waarvoor was ingestaan, niet al te best inkwamen.

Dan weer nam men het op voor plaatsen, waar reeds een zekere som aan onze Vereeniging werd gecontribueerd, en vroeg opname tegen lager tarief, wanneer het verpleeggeld daar niet bijeen te brengen was.

liet Bestuur was in zijn geheel wel overtuigd dat de behoeften groot waren en ei1 geholpen moest worden, maar het kon natuurlijk slechts in enkele, bijzondere gevallen, vrijgevigheid betrachten.

Buiten de Inrichting werd in 1888 de eerste stap gedaan in de richting, die on- en minvermogenden zou ten goede komen. Het was nu wijlen Mevr. Escher-Abbing, die met een andere dame een bedrag van f 172.50, bepaaldelijk voor het verplegen van fcehoeftigen, in de kas stortte. Dit gaf aanleiding dat het besluit genomen werd om uit daartoe te verzamelen bijdragen een fonds te stichten, uit de rente waarvan on- en minvermogende epileptischen zouden geholpen worden.

Eer er nu echter zulk een fonds zou zijn! Twee jaar lang bleef het bij de genoemde eerste bijdrage.

Sluiten