Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meeste patiënten te laat aan onze zorgen worden toevertrouwd. Meestal beproeft men alles en nog wat, eer men er toe besluit opneming in onze Inrichting te vragen. Dat akelige, ongegronde opzien tegen een „gesticht"! De patiënt wordt er niet zelden de dupe van. Iïet lijdt geen tegenspraak : hoe jonger de patiënt is of hoe korter de ziekte heeft geduurd, hoe meer kans op goeden uitslag van de behandeling in de Inrichting te verwachten is.

Doch nog eenmaal: hoe de ziekte zich ook reeds heeft ontwikkeld en hoe ernstig de zieke er reeds door geleden heeft en verminderd is, de opname bij ons heeft dikwijls toch nog dit gevolg, dat de arme kranke niet geheel te gronde gaat, niet lichamelijk en niet geestelijk.

Niet geestelijk. Dit doet ons nu denken aan de geestelijke verzorging, die onze kranken genieten, of, wil men, het opvoedend karakter, dat onze verpleging draagt, en dat, ook dooi de medici, als van het hoogste belang wordt beschouwd. Geen baden, geen bedverpleging, geen medicijnen, ook geen bezigheden zullen veel baten, als de noodige, verstandige, geestelijke leiding ontbreekt. En hoe noodzakelijk een zorgvolle geneeskundige behandeling ook geacht moet worden, de zegen eener verstandige en godsdienstige leiding mag door niemand worden onderschat. Werken op de conscientiën, het zondaarsbankje niet als een antiquiteit opbergen, niet alles als ontoerekenbaar en noodwendig verontschuldigen, trachten terug te brengen van zondige gewoonten, leeren strijden tegen drift en opwinding, vrede leeren zoeken onder 't zware kruis, — een gelukkige ondervinding pleit voor de groote beteekenis van zulk eene christelijke leiding. Hoe is bij velen na een toestand van afmatting, dofheid, onverschilligheid, apathie, eene opleving gekomen. Bij

Sluiten