Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aug. 1820, onder den titel : „De Zwijndrechtsche broederschap voor de Rechtbank te Dordrecht."

Dr. L. H. Wagenaar wijdt in het reeds genoemde proefschrift een kort hoofdstuk aan ,.De Broedergemeente te Polsbroek".

De vele onjuiste mededeelingen zijn zeker wel te wijten aan de beide werkjes, die de schrijver onder zijr.e bronnen noemt. (')

„H. C. Wolff. Iets over tien geest des tijds. Gron. 1834." en

„H. C. Wolf!. Hene ware geschiedenis. Gron. 18o4."

Deze Wolff „een tot het Christendom bekeerd Israëliet," spreekt van den „godvergeten St. Mulder, die overal waar hij ingang vond, stookte" aldus Dr. Wagenaar.

Ten slotte noem ik hier berichten en aanteekeningen in de, nog niet vroeger onderzochte, archieven van de burgerlijke en kerkelijke gemeenten, waar de Broederschap gevestigd is geweest; de briefwisseling tusschen de burgemeesters dezer gemeenten en officieren van justitie of den Heer Gouverneur van Zuid-Holland.

Verder de mondelinge of schriftelijke mededeelingen van vele personen, die de broederschap nog van naderbij hebben gekend o.a. van kinderen der vroegere broeders en zusters, in ons land en in Amerika, waarheen een groot aantal der Nieuwlichters later is heengegaan.

Soms beteekenen die oudste mededeelingen niet veel, maar ... eenvoudig als ze zijn, hebben ze dit voor: ze geven ongekunsteld den indruk weer, dien de Zwijndrechtsche broeders op hunne tijdgenooten maakten; en in dit opzicht zijn ze meer waard dan menige verhandeling.

De markiezin, voor wie Voltaire in 176.') zijne verhandeling over de geschiedenis der oudheid schreef, wilde wel: ,,que les philosophes eussent écrit 1'histoire" omdat zij ze wilde lezen „en philosophe", maar de geschiedvorscher ziet zijne bronnen liefst niet „en philosophe" en is dankbaar voor de vele „nuchtere" mededeelingen.

(') t.a.p. 143. Het i« nijj niet gelukt deze boekjes op te sporen.

Sluiten