Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooggehouden, de erkende leider, op wiens woorden men zich beriep.

Zijne kinderen, die de partij der moeder kozen en hem niet wilden volgen in de broederschap, die door zijne opoffering van al zijn have aan de gemeenschap feitelijk onterfd werden, die ook door zijn later „huwelijk" met Maria Leer grievend gekrenkt moesten worden — zij bleven hem niettegenstaande dat alles liefhebben.

Van meerderen van Stoffels kleinkinderen (uit zijn wettig huwelijk) zelfs van hen, die al heel weinig sympathie hadden voor de broederschap, hoorde ik steeds met waardeering spreken over hun grootvader.

Beslist spraken zij tegen, dat Stoffel ooit door zijne kinderen mishandeld of bespot zou zijn. (J)

„Mijn vader" zoo verklaarde een „kon nooit voorbij V arik varen, zonder met een traan in het oog te spreken over grootvader, die daar begraven lag."

,,'n Echte van-God-geleerde, mijnheer!" zei e'en ander, „ik hoop, dat je zoo'n dominee worden mag als Stoffel Muller.

Maar... vervolgen we nu de ontwikkeling van Mullers denkbeelden „Uit God, door God en tot God zijn alle dingen." Dan zal dus eenmaal, in de voleinding der wereldgeschiedenis, ahe knie zich voor Hem buigen ; ook de zonde heeft in Zijn raadsbesluit geen andere plaats dan als middel tot volmaking, en eenmaal worden allen zalig. Alles is u i t Hem: de levenlooze, maar ook de bezielde schepping. Bovenal de mensch — allen uit Hem, levend in Hem en dus allen broeders. En alles is tot Hem dan moet ook het zedelijk beginsel van ons geheele leven in die richting wijzen en de eisch voor het schepsel Gods is: de geheele verloochening van zich zelf en de onvoorwaardelijke overgave aan God „opdat wij door het verliezen van ons zeiven, ons voor eeuwig in God terugvinden."

(•) Dat de gedenkschriften van Maria Leer zich minder gunstig over de vrouw en kinderen van Muller uitlaten, is al vooruit te begrijpen, en zal later nog wel duidelijker worden.

Ook Dirk Valk gewaagt van , mishandelingen, Muller door zyne vrouw en kinderen aangedaan, hetwelk zelfs zoo verre is gegaan, dat zjj hem alles hebben ontzegd, zoodat zy hem zonder eenige de minste andere.bezitting dan God en zoo als hjj (geljjk uien wel zegt) ging en stond, hebben verdreven.' zie „Bprigt van de Uitgevers" in Mullers boekje : „Het Eeuwig Evangelie blz. II.

Sluiten