Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragen. Maria wrong zich de handen — 't was hare schuld — en, o God! wat zou er nu van worden? Ettelijke dagen verliepen er, voordat het ongelukkige meisje tot bewustzijn kwam. 't Was een vreeselijke tijd voor Maria ; geen straf, haar opgelegd, was haar te zwaar, en de nachten bracht zij schreiend door. In dien zenuwachtigen toestand zag ze haar moeder voor zich staan; zij sprak van hemelvreugd voor de uitverkoren schare, maar tevens van hellepijn voor verstokten. ,,Ja, moeder," riep ze, ,,ik ben afgedwaald op den weg der zonde ; maar ik wil boete doen, en moge God mij genadig zijn !"

Ze was verdoemelijk voor God. Was daar nog vergeving?

Maria nam geen deel meer aan het touwtje-springen. Als het begon, was het: „Vader mag ik maar liever bij u komen ?"

Hij stond haar dan toe, dat uurtje bij hem in den Bijbel te lezen; en in hare boetvaardige stemming was dat juist haar hoogste wensch. Het zou, zoo hoopte ze, de weg zijn, om tot genade en wedergeboorte te komen.

Vader was in vroeger jaren catechiseermeester geweest; zijn • streng orthodoxe opvatting van zonde en verlossing vond bij haar dieper ingang, dan het ook wel rechtzinnig, maar minder dogmatisch gekleurde onderwijs, dat zij wekelijks van Ds. Boomkamp, ontving. (')

Bij de altijd nieuwe overtredingen, waarin hare overmoedige natuur telkens werd meegesleept, vond haar gemoed slechts troost in de leer der erfzonde, en van het schulddelgend offer van Christus.

Bij wijlen wanhopig over haar eigén verdorvenheid, en diep ellendig onder het bezwijken in den strijd met het vleesch, was vader haar steeds een inlichtend en opbeurend vriend. „God", zeide hij, „weet wat maaksel wij zijn ; zijn genadeverbond kan niet wankelen, en voor al onze zonden is vergeving en verzoening te bekomen ter wille van het offer op Golgotha, als wij maar vaststaan in het geloof en blijven pleiten op onzen Borg." (2)

Op betrekkelijk jeugdigen leeftijd was er dus in Maria s hart reeds een diep besef van zonde en verlossing. Eigenaardig is dat: „haar gemoed vond troost in de leer der erfzonde". Is deze uitdrukking van Anagrapheus of van Maria zelf?

(») Wilhelmus Boomkamp is van Ilpendam naar Kdam beroepen 16 April 1791» en deed z^jn intrede te Edam 23 Juni 1799.

(*) Anagr. t. a. p. blz. 11 en 12.

Sluiten