Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog die zachtblauwe oogen, beweeglijk was het gebarenspel en opwekkend klonk vaak de nooit luidruchtige lach."

En nu we het ,,modeste photographietje hebben gevonden, waarvan Anagrapheus (') verhaalt, lezen we haar karakter ook in die trekken.

Een heldere geest spreekt uit die levendige oogen — „daar zit wat in", zeggen zelfs zij, die nooit van een Maria Leer hoorden. Innemend is ze op dit portret zeker — de stormen van den hartstocht, van het zoekend, jagend hart hebben uitgewoed.

„Zat zij daar niet precies zooals zij was ? herkende zij niet in al zijn deelen haar met eigen hand saamgelapt hoedje ? Ja zelfs aan haar kornetje, dat den vorigen dag door haarzelve was opgemaakt, ontbrak geen enkel plooitje, de afhangende kant lag precies als een kraagje op den mantel, en de toegestrikte linten, die het gelaat afsloten en met hun slippen de eentonigheid van het zwarte kleedje eenigszins braken, alles stond er net zoo op, als zij het gewoon was te dragen. Zij was er mee ingenomen, al ontging haar ook de voornaamste verdienste van het portretje dat er namelijk op het door jaren en levenservaring verouderd gelaat te lezen stond, het heerlijkste wat een oude van dagen siert: vrede des gemoeds en blijdschap in God." (2)

Dorstend naar kennis was ze, en het portret vertolkt dit. Ik zie haar in m'n gedachten zitten voor dat photographietoestel, scherp kijkend, scherp denkend ... hoe ging dat ?

Zoo was ze — merkwaardig in zulk een „gewone" vrouw uit het volk; vragend naar het „hoe" en „waarom", steeds onweerstaanbaar verlangend naar helderheid.

Laat me hier meteen nog wijzen op een paar kleine trekjesin Anagrapheus. (3) Maria is in Rotterdam en komt dagelijks voorbij het standbeeld van Erasmus : ,,Zoo'n heerlijke wandeling ! dagelijks langs Erasmus ? Dien man, zoo beroemd om zijne geleerdheid en omdat hij zoo verlicht was, had zij zielslief, en nooit ging zij hem voorbij, zonder hem toe te knikken als een geestverwant."

En later weer, als Maria bij de „slaapster" is geweest (4): „er werd om gelachen en mee gespot, als was het een soort van kermisvertooning, terwijl Maria er verborgen krachten in zag, wier

(') Anagr. t. a. p. blz. 120. .

Aldus Anagrapheus blz. 120 — tevens een staaltje van de fijne teekening. (>) blz. 119.

(') Anagr, bl. 121.

Sluiten