Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brood" geplaatst. De reiniging is in beginsel het deel van den geloovige — toch is het schuldgevoel niet gebannen uit het Christelijk bewustzijn en de zondebelijdenis mag niet gebannen worden uit de belijdenis der geloovigen en der gemeente.

We kunnen ons zoo goed begrijpen, dat de woorden van Maria t uitgesproken met die beslistheid, die haar eigen was, aller verontwaardiging wekten : „dat was hoogmoedige praat!"

Ja, daar is een „zijn onder de zonde", dat niet mag erkend ^ worden voor den geloovige — dat zou een miskenning zijn van de beteekenis der heiligmaking, maar in Maria openbaarde zich het gevaar van eene tegenovergestelde eenzijdigheid, de leer van eene onzondigheid en eene vrijheid, die ook in haar latere leven ^ noodlottig werd.

De stelling: „die in Hem blijft, zondigt niet" kan ook onder de vlag van godsdienst veel onchristelijks en zondigs binnensmokkelen, zoodra ze — zooals later bij Maria — wordt tot een: „alles is geoorloofd voor hem, die in Christus is."

De apostel Paulus had er reeds voor gewaarschuwd : „alleenlijk gebruikt de vrijheid niet, tot eene oorzaak voor het vleesch"; en van velen zou ook straks in de Broederschap gelden : „terwijl gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vleesch?"

Maria is de vertegenwoordigster eener ideale levensopvatting,

haar geheele leven is een voortbewogen worden door de kracht der idee — een handhaven van het ideaal, dikwijls zonder rekening te houden met de bestaande werkelijkheid.

In de oefeningsgezelschappen kwam zij juist te staan tegenover de vertegenwoordigers eener gansch tegenovergestelde levensrichting.

De zekerheid der zondenvergeving ging nu bij Maria hand in hand met den beslisten eisch van een leven, overeenkomstig den wil Gods: „Een iegelijk, die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid."

„Wij moeten ons geloof nu toonen in onze werken" — „dit is de wille Gods : uwe heiligmaking." (l)

Zoo had Maria gesproken op het gezelschap, daarvoor ijverde zij nu sterker dan ooit — ja, mogen we hare gedenkschriften geiooven, dan rees reeds nu voor haren geest de gedachte aan de

(') Anagr. t. a. p. bl. '24.

Sluiten