Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij moest een dienst zoeken, waar tnen het zoo nauw niet nam en na ternauwernood ontsnapt te zijn aan het gevaar, in een bordeel terecht te komen, — waar zij, onbekend met den aard van dat huis, werk zocht — was zij al blij een dienst te vinden in een nacht-ponshuis. (*)

Langzaam werkte zij zich weer op — van het nacht-ponshuis tot het nettere dag-ponshuis en zoodra zij met ijver en zuinigheid weer wat in de kleeren was gekomen en nog een spaarduitje over had, trad zij weer als vrije de wereld in, om met het oude naaiwerk den kost te verdienen — en het ging goed.

In de laatste tijden had zij de gezelschappen opnieuw bezocht, maar de oude verschilpunten gaven weer aanleiding tot voortdurende woordenwisseling.

Terwijl de broeders en zusters eens Ps. 130 zongen : „Uit diepte van ellende", bleef Maria zwijgend zitten, de handen gevouwen.

„Toen 't lied uit was, stond zij op en zeide: „Menschen, menschen! hoe kan jelui je eigen zoo veraffronteeren, en Jezus te kort doen in zijn verlossingswerk ? Hij heeft ons vrijgemaakt van de zonde en het voorbeeld nagelaten van een heiligen levenswandel ; als we Zijn voetstappen volgen, dan komt het niette pas, je zoo wanhopig aan te stellen ; want de mensch die uit God geboren is kan niet zondigen." Daar ging een geschreeuw op: dat was gezegd van het nieuwe deel in den mensch, maar de oude Adam in ons, die zondigde altijd door en dat kon niet anders, daarom moesten ze allen schuld belijden en vergeving vragen —" J)

In deze sfeer van gedachten ontmoette zij Muller, die in deze dagen met Valk te Amsterdam was gekomen, om oude schepen te koopen.

Geen wonder, dat er onmiddellijk een band tusschen hen gelegd werd: daar werkte die geheimzinnige aantrekkingskracht van verwante zielen.

Langs verschillende wegen en ieder zelfstandig waren Muller, Valk en Maria dus gekomen tot een gemeenschappelijk ideaal: eene Christelijke samenleving, gegrond op de eischen des nieuwen levens in Christus.

(') Die huizen waren geen bordeelen. 's Avonds kwamen er mannen eten en drinken — en het ging er soms wel wat ruw, maar niet onzedelijk toe. Zie Anagr. blz. 31.

i) Anagr. blz. 35.

Sluiten