Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wartaal", zeiden ze. Maria meende, het kon wel aan hare voorstelling liggen, en voegde er daarom bij: „Van avond kun je hem zelf hooren". „Laat ie maar wegblijven", riepen ze, „want al z'n mooie praat slaan we dood met het schriftwoord: zal een moorman van huid veranderen of een luipaard zijn vlekken, zoo zult gijlieden goed kunnen doen, die geleerd zijt kwaad te doen.'

De waarschuwingen misten hare uitwerking niet. In den namiddag onder haar naaiwerk zat ze er over te peinzen, en met dien tekst achtte zij zich wel aangegord om naar de samenkomst te gaan.

Moedig ging ze de Warmoesstraat ten einde en de trap op naar de bovenkamer, waar de meeste leden van het gezelschap reeds bijeen waren. Weinige oogenblikken later kwam de schipper met zijn twee vrienden. (')

Nauwelijks was het troepje door den president opgemerkt, of hij rees op en vroeg: „wie heeft jelui hierheen gestuurd?" — „God", antwoordde Muller. — „Nu, dan zegt diezelfde God je door mijn mond, dat je weer heen kunt gaan."

Daar stond Maria op, en zeide tegen den verbaasden Muller: „Schipper, de Heer heeft mij in één dag meer geopenbaard dan ik in drie jaren ben te weten gekomen. Gij zegt, dat men hier op aarde zonder zonde kan leven en in Gods woord lees ik : „Zoomin een moorman zijn huid kan veranderen, evenmin kan een mensch, die in zonde geboren is, goed doen." — gij spreekt de taal van die valsche profeten, die leeringen verkondigden om Israël te verderven."

Van handgeklap en toejuichingen dreunde het vertrek : men verdrong elkander tot aan de trap» en duwde het drietal niet vereenigde krachten eraf.

Dat rumoer, die plotselinge uitzetting, zonder dat den man tijd gelaten werd tot een wederwoord, brachten Maria geheel van streek. Zoo iets had ze niet verwacht; wat had ze gedaan? Ze had wel in tranen kunnen uitbarsten — en toen ze den president hoorde waarschuwen tegen omgang met die menschen, op straffe van als een afvallige uit het gezelschap gestooten te worden, toen rees de maat van haar schuldgevoel tot buiten de perken. „Er was

(') Wie die derde was, weet ik niet — misschien een zekere Pieter Bezemer, overigen» onbekend.

We lezen toch in het Bijvoegsel van Mullers geschrift „de waarheid van Gods vrjjmagt": „op den Hen July 1817 is Stoffel Muller met drie schuiten of boveulandsche Aaken hem in compagnie met Dirk Valk en Pieter Bezemer, wonende op de nieuwe Tonge toebehoorende te Puttershoek gearriveerd."

Sluiten