Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II.

In smaad en lijden. 1817—1820.

Na enkele dagen van voorbereiding voor de reis en voor de vestiging te Puttershoek vertrok men van Waddingsveen.

Op den 3en Juli 1817 kwamen de schepen te Puttershoek. (')

Alles liep uit om de aken te zien; de eerste vraag was: „wat moet jelui daarmee uitvoeren ?" — „Die zullen we sloopen en 't hout bier verkoopen." — „Die rotte schuiten? ze deugen net zoo min als jelui zelf", roept er een uit den hoop. In de woordenwisseling, die nu volgde en waarbij zij voor dwepers en vrijdenkers werden gescholden, kreeg Muller een slag in het aangezicht; maar, zichzelven bezittend, zeide hij: „Wat heb ik u misdaan, waarom slaat gij mij?"

Den volgenden dag gingen Muller en Maria weer aan den wal; hij zou naar de neven Visser gaan, die er ook een smederij op nahielden, en Maria zou zich bij zijne moeder, die een winkel deed, van het noodige voorzien.

Daar kwamen twee dienders op haar af, die haar bij t verlaten van het huis vroegen naar haar pas. — „Die heb 'k niet , was haar antwoord. — „Dan volg je me maar naar Dordt .

Aan den Dordtschen wal gekomen, vertoefden de dienders met haar in een kleine herberg. Er kwam een oploop van volk. „Ja, menschen" riep Maria, „ziet me maar aan! — een mensch, die niemand kwaad heeft gedaan, wordt zoo maar gevangen genomen, en dat is het werk van Christenen!"

Op het stadhuis werd haar een verblijfplaats voor dien nacht aangewezen; honger behoefde ze niet te lijden, want een pond roggebrood werd haar toebedeeld; ze hield er nog een stuk van over, dat zij meenam, toen zij des anderen daags vandaar naar het krankzinnigengesticht — het „Blauwhuis" werd overge-

(i) Voor het volgende verwjjs 'k naar Anagr. blz. 49—58.

Sluiten