is toegevoegd aan uw favorieten.

De Zwijndrechtsche Nieuwlichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Later, toen zij geregeld georganiseerd waren en de broeders, met hunne huisgemeenten, in de burgerlijke registers stonden opgeschreven als „inwonende", vielen hunne samenkomsten buiten bereik der wet. Immers, Art. 291 Code Pénal bepaalde omtrent de „associations de plus de vingt personnes" : „Dans le nombre des personnes indiquées par le présent article, ne sontpas comprises celles domiciliées dans la maison oii Vassociation se réunit."

Toch, al was ook op de houding van enkele rechters en overheidspersonen wat aan te merken, we moeten aan den anderen kant toegeven, dat de houding der broeders niet stemde tot clementie.

Ze waren brutaal zonder voorbeeld, de mannen hielden doodgewoon de petten op, als zij voor hunne rechters stonden — zij ontblootten het hoofd alleen voor God —; zelfs het gewone „mijnheer" wilden zij niet gebruiken — Heer was alleen God — en zij spraken de overheidspersonen aan met: „Vriend!"

We zagen reeds, hoe brutaal Maria durfde spreken; deze eigenschap schenen allen gemeen te hebben.

Kenmerkend is in dezen het verhoor voor de Utrechtsche rechtbank, dat Anagrapheus aldus beschrijft:

„Binnengelaten, nam Muller, zonder af te wachten, dat men hem ondervragen zou, het woord. Zonder het hoofd te ontblooten, keek hij de heeren vrijmoedig aan, en zei, onder het voor den dag halen van zijn protest: „Ik heb een boodschap aan ulieden van God, die meer gehoorzaamd moet worden dan de menschen"; en zonder zich te storen aan 't kloppen met den hamer van den president of aan de dienders, die hem op bevel van den voorzitter de muts van het hoofd namen, begon hij het stuk voor te lezen." (') Een andermaal begon Stoffel voor de rechters zijn verdediging niet de woorden van Ps. 58: 1 (berijmd) :

„O, gij vergadering, gezeten

Om recht te doen, spreekt gij het recht ?

Wordt alles billijk aangelegd ?

Kwijt ieder zich naar zijn geweten ?

En vonnist gij .vvel inderdaad

Zooals met recht en wet bestaat ?"

Een kras staaltje van den hoogen toon, dien zij durfden aanslaan, geeft de volgende brief, dien ik in het gemeentearchief van Zwijndrecht vond — terecht als een curiositeit bewaard — :

(l) Anagrapheus t. a. p. blz. 64.