Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hunne stoutheid was alom bekend — ze stonden nergens voor.

Ten slotte nog tot karakteristiek een gedeelte uit een brief van den Burgemeester van Zwijndrecht — ter informatie omtrent de onderteekenaars van een adres aan den Koning, waarin de broeders vroegen om een bijzonder onderhoud.

„ . . . beschouw ik als een wijsneus, wien het spijt niet in de gelegenheid te zijn den toren van Babel te bouwen om een naam te maken . . . Z. M. moge worden aangeraden dit boeltje nimmer als eene erkende godsdienstige gezindheid te beschouwen . . . dat eene particuliere audientie bij Z. M. mijnes inziens overtollig is. Verkiest echter onzen goeden Koning dit, zoo neem ik de vrijheid in bedenking te geven of niet bij die gelegenheid tegenwoordig zoude kunnen zijn een der ambtenaren van 's Konings huis, om, wanneer zij niet den hoed afnemen, geen Heer op aarde erkennen, maar wel : „Geliefde Willem" zeggen, hen eenvoudig bij de kraag te pakken en te doen afmarcheren. ( )

We vatten den draad der geschiedenis weer op.

De broederschap was nu, ten minste voor een deel, te Polsbroekerdam gevestigd, maar wat was er van hun plan tot vestiging te Puttershoek gekomen ? Hoe was het gegaan met de oude aken,

die men daar zou sloopen ?

Anagrapheus («) vertelt alleen, dat Maria, na hare loslating uit Gouda, Muller te Waddingsveen vond : „na afgeloopen slooping der aken." Waar dit plaats vond en door wie, wordt niet gezegd en we vernemen ook niets van een betrekking met Puttershoek

gedurende de jaren 1817—1820.

Toch was die betrekking er. In Puttershoek waren nog enkele Keestverwanten achter gebleven, en ik vermoed, dat het huis van Willem Visser het toevluchtsoord geweest is.

Veel weten we niet omtrent de broeders in Puttershoek vóór het jaar 1821 — de berichten bepalen zich tot enkele gegevens in het gemeentearchief dezer plaats.

Onder de ingekomen stukken vonden we 'n brief van den Officier van Justitie te Dordrecht, d.d. 12 Maart 1818 met verzoek, om op te geven of Christoffel Muller en Maria Leer zich te Puttershoek bevonden. Het antwoord is niet bewaard, maar uit een tweeden brief d.d. 13 Maart 1818 blijkt, dat zij er niet waren,

(•) Aan den Gouverneur van Zuid-Holland, d.d. 26 Jan. 1835.

^ t a. p. blz. 60.

Sluiten