Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bij geluk lag een oude, bovenlandsche aak te koop; met opoffering van al wat zij hadden — tot zelfs de veeren hunner bedden moesten verkocht worden ! — wisten zij het geld bijeen te brengen. De ledige beddetijken werden aan elkander gehecht en als een beschutting tegen den regen over het opene vaartuig gespannen; en aldus bereidden zij zich een drijvende woning en werkplaats, die voor alles en allen dienen moest. Zij stevenden met dit vaartuig den Dordtschen kant uit, en bleven liggen in de Krab. Bij laag water waren daar boomstronken uit te graven en klein te maken ; dat werd hun, tegen een stuiver de roe, door den aannemer betaald. Bij hoog water zaten ze allen boven op de aak aan de zwavelstokken te werken.

Geen wonder, dat de oude, met beddetijken opgetuigde aak de aandacht trok. Velen kwamen er heen en Maria kreeg weer gelegenheid om getuigenis af te leggen van den grond van haar geloof: alles uit, door en tot God.

Maar daar kwamen ook spotters. „Je bent niet meer waard dan een gat in je rottige schuit, en dan verzuipen" riep er een.

Het gerucht, ook hier, gelijk altijd, vergrootend, vertelde dat ze niet alleen preekten, maar ook het Avondmaal bedienden, en dat er op den laatsten Zondag een kind door hen was gedoopt, dat daarbij den naam van Jezus ontvangen had. — De substituutofficier van Justitie (*) scheen er wat meer van te willen weten en liet zich er heen roeien. Hij was daar getuige van een woordenwisseling tusschen Valk en den man, die zich 's morgens zoo over hen had uitgelaten.

„Waar heb jelui 't over?" vroeg de officier.

„Wel, die man zei vanmorgen, dat we waard waren, dat ze een gat in onze schuit boorden en ons lieten verzuipen."

,;Nu dat zou een weldaad wezen," liet de officier zich dvvaaselijk ontvallen.

Muller kwam naderbij. „Als je de officier bent, dan zeg ik, dat je je zwaard verkeerd draagt..., maar uw ambt zal u bij God niet verschoonen 1"

Van het eene woord kwam het in het andere — de officier verlokte hen tot onbedachtzame uitingen door te vragen : „De Koning, uit wiens naam ik je gevangen neem, is zeker ook wel goddeloos ?"

„Ja!" zeide Muller, „als hij zulke onrechtvaardige handelingen goedkeurt, is hij dat."

(') Mr. 0. Gevaerts.

Sluiten