Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennen willen) gelijk wij mede niet vernomen hebben, dat er oproerige geschriften bij hen zouden gevonden zijn". (J)

We zien weer duidelijk, welk een overdreven geruchten omtrent die Nieuwlichters in omloop waren, maar tevens — en daarmede komen alle berichten overeen — dat er geen sprake was van bepaalde strafbare handelingen hunnerzijds.

Ja, hunne woorden konden, minder toegefelijk uitgelegd, aangemerkt worden als oproerige taal, maar men deed hen onrecht, zoo minachtend ei» scherp over hen te oordeelen.

We willen het nu volgende rechtsgeding wat uitvoeriger behandelen ; hel gaf hun weliswaar een zware gevangenisstraf, maar dit proces werd toch ook weer de aanleiding, dat men in de hoogere kringen op hen ging letten en... hen rustig liet begaan.

Door lijden tot erkenning!

Muller en de zijnen waren dus gearresteerd en naar Dordrecht gebracht. In de zitting van 4 Aug. 1820 deed de Dordtsche Rechtbank uitspraak. Het Openbaar Ministerie werd waargenomen door Mr. O. Gevaerts, substituut-officier van Justitie, dezelfde, die de beschuldigden in de aak had opgezocht.

We zullen eerst Maria laten verhalen en toetsen hare berichten dan aan de archieven der Dordtsche Rechtbank.

„Na tien dagen (2) werd het zestal gedagvaard. Met koorden aaneengebonden, bracht men hen onder gewapend geleide naar de rechtzaal. Zij kwamen daar te vernemen, dat ze als landloopers en wegens beleediging der Justitie tot twee jaren gevangenis en tien gulden boete gecondemneerd werden. „Dat staat niet aan je vrijigheid, president", zei Muller, „je bent onze aanklager en dan kan je niet te gelijk onze rechter zijn." (3)

Valk voegde er aan toe : „Ik daag je voor den rechterstoel van den hemelschen rechter!" En Maria, die nooit achterbleef, als er gelegenheid voor spreken was, zeide: „Den beker, dien gij ons te drinken geeft, zal God op uw hand zetten." De drie anderen voegden er hun „amen" aan toe. Ze waren zoo verheugd over de vervolging, die zij waardig geacht waren, en over de

(') Brief van den BurgeuieeBter d.il. 2 Aug. 1820.

(!) Bedoeld wordt: tien dagen na de inhechtenisneming. Uit de processtukken blgkt, dat Muller en Valk op 24 Juli, de anderen op 25 Juli waren gearresteerd.

(*) Dit was niet juist. Mr. O lietaerts, hun aanklager, was geen president.

Sluiten