Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegenheid van zich te uiten, die zij zoo kostelijk waargenomen hadden, dat zij onder luid gezang den terugtocht maakten.

Zeven dagen daarna werden zij nog eens ter verschijning op het rechthuis ontboden. De president betuigde er zijn leedwezen over, dat hij ze nu ook nog te vonnissen had wegens beleediging van de rechtbank. Vier jaren tuchthuisstraf werden aan de twee reeds opgelegde toegevoegd. Muller opende den mond tot spreken. De president vermaande hein te zwijgen.

„Dat willen we niet; want er wordt ons onrecht aangedaan. „Nu dan weet ik niets meer met jelui aan te vangen; dan

moet je maar appelleeren-"

„Wat is dat ? Daar hebben we geen verstand van. „Dan brengen we je naar den Haag, en dan kom je te staan voor het Hooge gerechtshof."

„O, dat willen we graag!"

't Was hun een welkome gelegenheid, om weer te getuigen van hun geloof.. (')

Hier moet Maria's verhaal noodzakelijk worden aangevuld met de gegevens der rechterlijke bescheiden.

Bij het lezen van Maria's gedenkschriften krijgen we den indruk, dat het tweede vonnis weer hetzelfde zestal gold — maar deze

voorstelling is onjuist.

We moeten twee vonnissen onderscheiden : het eerste, uitgesproken 4 Aug. 1820, geldende het zestal, wegens landlooperij en beleediging van den Substituut-officier het tweede, uitgesproken 11 Aug. 1820, geldende Muller, Valk en Maria, wegens beleediging der rechters tijdens de terechtzitting van 4 Aug.

daaraan voorafgaande.

We ontleenen aan de archieven der Dordtsche rechtbank

audi et alteram partem ! — het volgende.

De eerste aanklacht, wegens beleediging van den ambtenaar, liep over deze uitdrukkingen : „dat hij was een goddeloos man," — „goddeloos en ondeugend," — „dat hij slegts geschikt was om ter Helle te varen — „en dat ook de Koning onrechtvaardig was."

„Is geconcludeerd door het Publiek Ministerie, vlgs. art. 269, 270, 271 en 222 van het Penaal-wetboek, dat zij zullen worden verklaard te zijn Landloper» en te dier zake, zoowel als ter zake

(») Anagr. t. a. p. blz. 67—68.

Sluiten