Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruaar vrij de taal van ons hart sprekende, in de tegenwoordigheid Gods, houdende eene goede conscientie voor God en de menschen, zonder iemand te vlejjen of een kwaad hart toe te dragen, en dienende zóó, naar het voorbeeld van de Profeten, onzen Heer, en zijne Apostelen, in den gemoede den God en Vader van onzen Heer Jezus Christus, wien alléén toekomt allen lof en heerlijkheid tot in eeuwigheid. En zóó zeggen wjj dan van de goddeloosheid en het kwaad, dat 't vervloekt is; en van de waarheid en het goed, dat het van God gezegend is ; en beschuldigen en beledigen niemand; ja wy bidden voor onze grootste vijanden, omdat wij weten, dat zjj van den vijand overheerscht zijn en daarvan moeten verlost worden. Daarom leerde Jezus zijnen Discipelen bidden : verlos ons van den boozen ! en zeide: hebt uwe vijanden lief ! Nu, liefhebben en beledigen, dat is vloeken, kan immers niet zamen gaan : maar de duivel, den hoogmoed in den mensch, meent altijd dat hij beledigd wordt, als er waarheid tegen hem en van hem getuigd wordt.

Nu, zóó hebben wij dan doorgaans, aldaar liggende in de Krap met den Aak, tegen de menschen getuigd, tot op Maandag den 24 July 1820. toen kwamen er twee menschen by ons in den Aak, arbeiders, die met ons op datzelfde Eiland aan de kade werkten. Zij zeiden van de Mijlae ['] kermis te komen, vloekende en razende pochten zij op hun kermis-houden ; waarover S. Muller, gemeld, hen in de liefde bestrafte, zeggende, dat zij gelukkiger zouden geweest zjjn, indien zij het geld, dat zij verkwist hadden, den armen hadden gegeven, en dat zij, zóó voortgaande en zich niet bekeerende, zekerlijk naar de hel moesten. Daarop wierden zij boos en één hunner zeide, ons van nacht te zullen laten verzuipen; dat zeer makkelijk te doen was, met een gat in het vaartuig te booren, terwijl wij sliepen. Stotfel Muller zeide, dat hij verpligt was, van znlken bedreiging aan den Regter aan te geven, tot den man zyn geluk, om hem in zijne goddeloosheid te stuiten. Paarna gingen zij heen en wij gingen ook ieder aan ons werk tot na den middag; en met hoog water niet kunnende werken, kwamen er weder onderscheiden schuitjes, waarbij ook was, zoo men zeide, de onder-Officier Gevaerts, een Dienaar Aart Groeneveld, Saliekroep de klerk van gemelden Officier en nog een ander persoon, die ons daarna met het schuitje van gemelden Officier naar 's Gravendeel roeide, met name ons onbekend.

Intusschen kwam gemelde arbeider, dien St. Muller vermaand en bestraft had, ook weder bij ons aan boord en vroeg aan Dirk Valk, of hy zijn pijp aan mogt steken : hem antwoordende : ja mijn vriend ! en hem tevens vragende, of hjj zich aan die booze voornemens en uitdrukkingen van 's morgens hield, orn ons te laten verzuipen! dat ik dan in de geiegenheid zoude zijn om daarvan kennis te geven. Hetwelk gemelde Officier Gevaerts, met de genoemde persoonen by hem in het schuitje, hoorden, als liggende met zijn schuitje, vóór, tegen ons vaartuig, als D. Valk met den arbeider was sprekende ; komende geul. Officier kort daarna ook vóór in ons vaartuig; eD dewelke op die gezegdens zeide : „het zoude weldadig zijn, als ze )ijlui lieten verzuipen— 't welk opgemelde persoonen, bij den Officier zijnde, indien

[!] De Myl i« een buurtschap bjj Dordrecht. (De schrijver.)

Sluiten