Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij de waarheid willen zeggen, kunnen getuigen, benevens vele andere menschen, ons alle onbekend, uitgenomen Antonie Valk, broeder van Dirk Valk en ... van Kujjk, woonende te Zwijndrecht. Ook kunnen de navolgende persoonen, die met ons in den Aak ot Vaartuig waren, getuigen, namelijk Cornelis Verdoes. Adrianus Verstraten, Gerritje Frujjt, Gerrit Timmerman en Maria Anna Raboult. (— Ik bid u ! overweegt nu zulke uitdrukkingen eens van een Man, die het zwaard als Gods dienaresse, den goeden tot bescherming en den kwaden tot strafte, moet gebruiken, en dat, in het bijzin van den man, die zulks gezegd had en veel meer andere menschen. Ik vraag aan elk onpartjjdigen waarheidminnaar, of dat niet is de Justitie met voeten treden, het regt krachteloos maken en den goddeloozen het zwaard in de handen geven ?—) Nu, op die uitdrukking, en van dezelve, zeide Stoffel Muller: weet gij wel, Man ! dat het schrikkelijk goddeloos is, dat te zeggen : het zoude weldadig zyn jylui te laten verzuipen ? doch daarop ontkende hij vol-uit, gezegd te hebben van te verzuipen : maar zeggende, dat hij alleen gezegd had : het zoude weldadig zjjn (hoewel dat hetzelfde is, als een antwoord op de gezegdens van ge.-nelden arbeider in het gesprek van D. Valk met hem) : zoo getuigen wy, dat het eerste gezegde waarheid is, en de God van hemel en aarde zal het bevestigen. Wijders heeft S. Muller gezegd: „gij zijt vervloekt, Goddeloos Man ! en als gij u niet bekeerd, moet gij naar de hel"! dat van alle de overige broeders en zusters met „Auien"! is bevestigd. — Hij zeide daarop : „Zult gij zwijgen tegen den Officier"'; ineenende zeker, dat zijne kwaliteit hem permitteerde tegen God te zondigen ; maar Stoffel Muller zeide : daarom niet te geven, wetende niet in kwaliteit als Officier, maar als overtreder van Gods wetten, waarop den vloek in Gods getuigenis gedreigd wordt, te spreken ; en hem, in Gods naam en op Gods bevel, tot zijn geluk dat deed hooren. — En wie nu naar waarheid oordeelen wil en kan, zal duidelijk genoeg zien, dat hier geene belediging heeft plaats gehad, als zijnde ons getuigenis niet tegen het ambt, als Officier, maar tegen een misdadig mensch, die de wetten van God schend, met te zeggen: het zoude weldadig zijn, dat ze jijlui lieten verzuipen, tegen het gebod, gij zult niet doodslaan ! en tegen het getuigenis van Jezus: doet een ander zooals Gg zelf wensch gedaan te worden! En wie ziet niet, dat die man zijne magt als Officier hier misbruikt tegen menschen, die hem, in plaats van kwaad, goed gedaan hebben, met hem te herinneren aan zijne misstappen en, door vermaningen en bestrafting, als een vuurbrand uit het vuur te rukken. Hij behoorde als David, die grooter in kwaliteit was dan hjj, te zeggen: de regtvaardige sla mij, en het zal weldadig zijn; ja, zijne bestraffingen zullen als olij op mijn hoofd wezen. En wie toch ziet niet, dat deze man gelijk is aan hen die strikken leggen in de poorten desgenen die bestraft ? die een mensch schuldig maken om een woord, daar zjj niet schuldig zijn, en zóó den rechtvaardigen verdrijven in het woeste. — Hij dan, meenende nü rede genoeg te hebben, onder schijn van regt, ons te kunnen verdrukken, zeide : „pak hem, namelijk Stoffel Muller, in naam van de Justitie maar mede" ! Dirk Valk zeide : ,,dat is mjjn broeder, en al wat hij getuigd heeft, getuig ik ook; en het is vervloekt goddeloos". De onderofficier gebood nu ook, dat hy in zijn schuitje zoude komen ; 't welk hy deed, wijders, zoekende de Officier uit dien vijandigen geest door strikvragen ons te misleiden, en zeggende : dan is de Koning ook goddeloos. Wjj zeiden, ali

Sluiten