Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Puttershoek en Zwijndrecht 1821-1833.

Van de gevangenschap der hoofden — waarschijnlijk van t begin van 1821 tot het begin van 1822 — weten we weinig.

Maria verhaalt in hare gedenkschriften slechts enkele bijzonderheden uit hare eigen gevangenschap.

Het was weer de oude geschiedenis.

Een beslist optreden en vrijmoedig getuigen voor de waarheid, maar niet altijd even zacht en bedachtzaam — steeds echter vol lust, om tot hare medegevangenen te spreken van de liefde Gods,

die het verlorene opzoekt.

Door de welwillendheid der regenten mocht Maria lezen en schrijven naar hartelust — en zoo viel zelfs een vol jaar haar niet zwaar.

Maria vond hier in de gevangenis, wat zij steeds gezocht had, een luisterend publiek, want al mochten Maria's woorden niet met instemming gehoord worden, in de verveling was hare prediking toch meestal welkom. En . . . zij had een blijvend gehoor, waarop zij langduriger invloed kon uitoefenen.

Door nakomelingen van Stoffel Muller werd mij uit familieoverleveringen verteld, dat Stoffel eiken morgen den morgenzang zong. Als 't wat lang uitbleef, riepen de medegevangenen al: „Hoe is 't, schippertje ! — al wakker?"

En ten slotte zongen velen den morgenzang mee!

Tijdens de gevangenschap der hoofden, waren de overige broeders en zusters neergestreken op het erf van Willem Visser te Puttershoek. Uit de processtukken betreffende de weigering van een geboorteaangifte, in Dec. 1820, weten we dit.

Na het verstrijken van het jaar der gevangenisstraf gingen ook

Muller, Valk en Maria er heen.

Sluiten