Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gouverneur van Z-Holland. Van der Duijn. Diens antwoord d.d. 3 Dec. 1829 is ons nog bewaard — en om den zachten toon is het de vermelding waardig: „ik merk op... dat, vermits aan een ieder bij art. 190 der grondwet, volkomen vrijheid van Godsdienstbegrippen wordt gewaarborgd, de bedoelde personen niet uit Uwe Gemeente kunnen worden geweerd, noch in de huisseli/kei1) uitoefening van hunne Godsdienst, hoezeer niet als eene openbare 'en afzonderlijke gezindheid kunnende erkend worden, mogen worden verhinderd, zoo lange zij tot geene stoornis van de publieke rust aanleiding geven.

We stellen de eerste trek naar Zwijndrecht dus in het jaar 1829. Hoevelen toen reeds verhuisden, en wanneer de anderen volgden kunnen we niet nader aangeven. (2)

Graag had men allen bijeen en van meet af aan was dus het doel, zich te Zwijndrecht zóó in te richten, dat allen er zich konden vestigen. De werf was groot genoeg, het kwam maar op lokaliteit aan.

Den eerstvolgenden winter zat Muller met zijn schip in het ijs bij Amsterdam. „Reeds vaak had hij een begeerig oog geslagen op een in onbruik geraakte danszaal in Schellingwoude. Zij stond

midden in het dorp, als een voorheen gevierde, maar thans verlaten

schoone, met bengelende stroobosjes veil voor den slooper. Gaarne zou Muller tegen afbraakprijs er de kooper van zijn en dit vat ter oneere te Zwijndrecht in een vat ter eere herscheppen." (3) De koop lukte en na eenige maanden stond de tent op het erf te Zwijndrecht, bestemd voor werkplaats in de week en voor

oefeningzaal des Zondags.

Kort daarop werd een oud Rijnschip — een zoogenaamde Keulenaar gekocht — met vereende krachten op de werf gesleept

en voor woonhuis ingericht.

Nu had men plaats en de achtergeblevenen in Puttershoek

(«) De cursiveering is van mg. w

(!) Wel staat op de bevolkingsregisters van Puttershoek bij velen, a- blJ Maria Leer en Arie Goud aangeteekend: „verhuisd naar Zwijndrecht 15 Mei 1832", maar in het opvragen en indienen van de verhuiabiljetten (als dat toen reeds yoorgeschreven was) zullen de broeders wel geen groote nauw-

gezetheid betracht hebben. ... . i

In 1834 waren allen van Puttershoek opgebroken ; want in het gemeenteverslag van 1834 staat onder het hoofd Godsdiensten : „Hieromtrent valt niets aan te merken, als alleen, dat de bewuste secte onder den naam van Broedergemeente! als nu geheel va»n deze plaats zich heeft verw^derd.

(*) Anagr. t. a. p. blz. 88.

Sluiten