Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstandigheden in zijn koninkrijk, die niet tot zijne dagelijksche omgeving behoorden; en zoo gaf hij ook bereidvaardig gehoor aan hetgeen de professor hem van die beruchte Zwijndrechters wist te verhalen. Hij fronste de wenkbrauwen bij de mededeeling, dat de volksmeening den dood van dien jongen milicien toeschreef aan ondergane militaire marteling — en luisterde met aandacht, ... hoe zij zich losgemaakt hadden van de oude leerbegrippen tot de erkenning van Gods aanwezigheid in al het geschapene.

„Zoo geavanceerd zijn we nog niet, professor" antwoordde de koning,.. „maar we zullen in de hospitalen nog wel een baantje weten te vinden, waarbij geen geweer te pas komt... zij zullen voortaan van het dragen van wapenen vrijgesteld worden." (l)

Dit verhaal van Maria geeft moeilijkheden. Het verplaatst ons voor Aug. 1833 (Mullers dood). Maar toen werd nog geen vrijstelling gegeven, dat zagen we in de processen van 1834. Of Maria ziet te veel in de uitwerking van prof. Tijdemans bezoek bij den koning, zooals zij dan ook ten onrechte er op liet volgen: „Hiermee was nu tevens de grief weggenomen tegen de aangifte van geboorten en Koninklijke erkenning van de Broedersschap verworvenDat volgde nog niet uit het antwoord des Konings! Of Maria's verhaal moet later geplaatst worden, maar dan was Muller er niet meer bij.

We willen uit de correspondentie der broederschap en der gemeentebesturen een weinig licht laten vallen op de houding der overheid en op het protest der broeders.

Een brief van den Burgem. van Zwijndrecht d. d. 3 Dec. 1832 luidt: „Heden ochtend vervoegde een van hen, met name Jan Pieter van Tol zich op mijn kantoor en gaf mij te kennen, dat hij en zijne medebroeders gaarne voor de goede zaak willen bidden, doch geen wapenen willen voeren.

Redenen om den man te overreden van het verkeerde zijner gevoelens hadden geene andere uitwerking, dan de verzekering, dat zij bereid waren aardsche straffen te ondergaan om van het beoorlogen hunner medemenschen bevrijd te zijn, en zich overtuigd hielden, dat niemand zonder de goddelijke toelating hun eenig leed kon doen."

In Januari 1833 werd ingezonden „een request van W. Visser c. s., behoorende tot de sekte der Vereenigde broeders, strekkende om van alle gewapende diensten te worden verschoond." (') Anagr. t. a. p. blz. y2-93.

Sluiten