Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Koningrijk der Nederlanden, vrijheid geeft van Godsdienst en bescherming van dien belooft en verleent: zoo vertrouwe ik dat Gij dit, mijn besluit niet misdadig beoordeelen zult, maar hetzelve wel aanmerken als eene roepstem des Almachtigen, die in mijn hart heeft gesproken, en mij heeft toegeroepen, „keer weder, gij afvalligen !' waar aan ik moet beantwoorden, wil ik zijne tijdelijke en eeuwige straffen ontgaan, en niet aangemerkt worden als iemand die tegen God strijdend is: en dat gij mij die bescherming zult doen toekomen, welke de grondwet des hemels en die der Nederlanden, aan alle vrije waare Christenen toezegt, te weten : vrijheid van Godsdienst, overeenkomstig

de leere des Euangeliums.

De God en Vader van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus, door wien de Koningen der Aarde regeeren, geve ü heil en vrede, voor tijd en Eeuwigheid.

Waarmede ik mij teeken. (w-g ) A- J- G- Staffhorst.

's Graven Hage Den 12 January, des Jaars 1831 van onzen Heere, Jezus Christus.

In dit verband maak ik melding van Mullers boekje: „De wet van God lief te hebben boven al en onze naasten als ons zeiven" met een „Beschouwing over de handelwijze van J. C. J. van Speijk uit een Godsdienstig oogpunt."

Het hoofddoel van het boekje is juist dat laatste deel en het eerste is eigenlijk niet dan de inleiding ervan.

Muller keurt de daad van Van Speyk af en protesteert tegen de algemeene bewierooking van deze „zelfopoffering ■

„Zich zeiven té dooden is strijdig met Gods wet, en wordt door God zelf vervloekt. Anderen, ja vrienden en vijanden, met zich zelve te dooden, is insgelijks van God vervloekt, want de wet zegt: „gij zult niet dooden! Dus moet zulks van niemand als goed of prijzenswaardig verheven worden ... en indien er in een Christenland zulk een daad goedgekeurd kan worden, dan moet ik zeggen, dat er eenen geheelen ondergang te verwachten is... dus is het thans noodzakelijk alles aan te wenden om den geweldigen stroom van ongerechtigheden in zijnen sterken loop te stuiten, daarom is het, dat ik mij verpligt vond, om deze weinigen letteren ter voorkoming van eenen gewissen val op schrift te stellen." (')

Ook een groot deel van Arie Goud's vraagboekje is gewijd aan

(') t. a. p. blz. 11 — 14.

Sluiten