Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit onderwerp en in zijne narede zegt hij liet nog eens uitdrukkelijk: „Zoodat het gebruik des zwaards niet het teeken of de navolging van Jezus is, maar wel van het Beest (Openb. 13)

„De geest van de macht des zwaards, dat is de mensch der zonde, de zoon des verderfs." (*)

In de 18e vraag staat Goud opzettelijk stil bij de verklaring van dat „zoon des verderfs" (2 Thess. 2 : 2 en 3) als „de geest van de magt en het geweld des zwaards... dat de anti-christenen in het begin der 4e eeuw in den tempel (de gemeente) gezet hebben, dus staande waar het niet behoorde, (2) toen Kijzer Constantijn de Groote met vele eerste ambtenaren het toen reeds besmette christendom omhelsden."

Toch is Goud zoo billijk om nog „een zegen, ja zelfs eene weldaad van God voor de geestelijk blinde wereld" in de macht van het zwaard te erkennen: „anders ware die wereld nog tot een grooter uiterste van vernieling, tiranny en doodslagen vervallen, maar nu, dewijl de reine sprake van God den Vader, door Jezus Christus aan het licht gebracht is, moet ook dat noodzakelijk kwaad namelijk de magt van het zwaard ophouden."

„Wreekt u zeiven niet! — aan God komt de wraak toe!" door deze gedachten lieten de broeders zich leiden. En het waren geen ijdele woorden! zij streefden naar een toepassing. Weerloosheid in den ruimsten zin was hun ideaal.

„Behalve misschien schijnbaar in woerden" zegt mr. Ouack (3). Kwamen zij dan daarmee met het gebod der liefde in strijd ?

Ja, 't is waar, ze waren niet „op hun mondje gevallen", maar dat getuigen was geen wraak.

Ze wisten zelf ook wel, dat ze niet zoetsappig waren in hunne prediking. Arie Goud spreekt er over: „Zullen de menschen niet zeggen, dat wij schelden, lasteren en onrechtvaardige, godonteerende oordeelen over hen uitspreken ? Ja zulks is het lot van alle de heiligen geweest, maar van de verstandige en vvaarheidslievenden zal dat getuigenis bemind worden.... het is uit de geest Gods, waardoor ook Jezus de waarheid getuigde, uit liefde, alhoewel hij

(') Goud. Vraagboekje blz. 63.

(') Vermakelijk is de argumentatie van het „staande waar het niet behoort', (Mark 13: 14 vgl. „staande in de heilige plaats" Mt 24: 15): „Volgens Openb. 22: 15 behooren do honden buiten — een hond is een beest, ergo behoort het Beest niet in, maar wel buiten den tempel."

(*) Uit de eerste dagen blz. 5.

Sluiten