Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IV.

Verval en Scheiding.

Het tijdperk van bloei duurde slechts kort — de tucht verslapte, want Muller, die met zachtheid de orde zoo uitstekend kon handhaven, was meestal op reis.

Minder zuivere elementen mengden zich onder de Broedergemeente, velen beschouwden ze als een „toevlucht voor dakloozen".

Door den grooten toeloop van deze geheel onvermogende heden, werden de meer gegoeden beducht. Waar moest het heen, als ieder, die toetrad — ook zonder een cent in te brengen — medezeggenschap kreeg over de gemeenschappelijke bezittingen ?

We hebben er reeds op gewezen, dat we in de Broederschap nimmer een beslist doorvoeren van hel Communisme zagen. Maar nu zou weer het zelfbehoud sterker blijken dan alle theorieën.

Geen recht op de goederen der gemeenschap!" zoo redeneerden de toongevers, „ieders rechten strekken zich niet verder uit, dan tot zijn deel in den arbeid en de daaruit voortvloeiende verdiensten ƒ"

Muller zoowel als Maria waren tegen eene zóódanige beperking van de gemeenschapsidee. Al hadden zij vroeger de mogelijkheid van privaat bezit in de gemeenschap niet uitgesloten, er was daarnaast toch ook nog een gemeenschappelijk bezit. Ook dit hield nu feitelijk op, zoodra de goederen der gemeenschap in handen kwamen van enkelen.

Maar Muller en Maria moesten zwichten voor de meerderheid en een nieuw contract werd opgemaakt.

Maria verhaalt „Er werd door de broeders vergadering belegd, maar van wat daar voorviel vernamen de vrouwen niets. Ook

Sluiten