Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelling van haar echtvriend had kunnen vinden. Nadat zij zich eenmaal onder zijn leiding aan de orthodoxe begrippen van hare jeugd had ontworsteld, was zij met echt vrouwelijke voortvarendheid in den laatsten tijd haren man voorbijgesneld, en had menige voorstelling, die hij nog vasthield, laten varen — daaronder ook die van een weerzien na den dood. En wat moest zij hem nu antwoorden ? Zou zij, terwille van den kranke, eene overtuiging veinzen, die zij niet bezat ?

Haar waarheidszin kwam er tegen op, en, terwijl zij hare hand op de zijne legde, sprak zij: „Och, mijn lieve man, komt dat oude leerstuk weer bij je op ? je waart het immers met me eens, dat het kwade zijn straf en het goede zijn loon krijgt in dit leven. En wat zou er dan nog van een persoonlijk voortleven en eeuwige straf of loon na den dood te hopen of te vreezen blijven? Je doet God te kort, als je het schepsel een eeuwig zelfstandig voortbestaan toeschrijft; want dan zou Hij ophouden Alles te zijn; — en jezelven doe je ook te kort; want je geest is leengoed en keert tot God terug. Bij Hem terecht gekomen, ben je een deel der Godheid en houd je stand in het eeuwige leven, dat Hij zijne schepselen inblaast, om van Zijne Alomtegenwoordigheid getuigenis af te leggen ....

Muller richtte zich even op naar de zijde, waar Maria stond. Wat zij sprak, ging tot hem in. Zou, wat nog van den ouden zuurdeesem bij hem was achtergebleven, in haar helder brein verwerkt zijn, en de discipelinne meerder zijn geworden dan de meester?

Onbewust van wat er in hem omging, bleef zij doorspreken: „Ik ben en blijf in God, net zoowel bij mijn leven als bij mijn sterven. Als ik mij niet van Hem afkeer, behoef ik niet weer tot Hem te gaan. Ik mag er niet aan denken, dat er iets buiten Hem zou zijn, dat ik, al was het ook maar voor een oogenblik, van hem gescheiden zou zijn. Ik roem er in, dat ik in die grootheid sta, waar niemand en niets mij van kan losrukken. Alles en alle menschen heb ik er door lief; in alles, waarin het mij tegenloopt, berust ik, tot zelfs in de tekortkomingen en afdwalingen van die dwaze menschen, die de geestelijke dingen nog niet kunnen verstaan. Als we ons zoo met God één voelen, dan hebben wij een schild voor onze borst en een licht voor onzen voet, als is het rondom stikdonker.... Rekenden de menschen maar niet op hun eigen voortleven en het weerzien in den hemel, dan zouden ze van het

Sluiten