is toegevoegd aan uw favorieten.

De Zwijndrechtsche Nieuwlichters

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit hoekje heeft te meer waarde, omdat het door die uitgave, een zeker officieel cachet gekregen heeft.

De ontwikkeling der denkbeelden is duidelijk en geleidelijk; we. houden natuurlijk in 't oog, dat hier geen theoloog, geen geschoolde dogmaticus aan 't woord is, maar een man uit de gewone volksklasse en we vergeven den schipper gaarne enkele herhalingen.

De schrijver heeft zijn boekje ingedeeld in 30 paragrafen, zonder die echter van eene korte inhoudsopgave te voorzien.

Ik geef den korten inhoud aldus weer:

1. De kennis van God door Jezus Christus is het eeuwige leven.

2, 3. In den Bijbel zijn twee schijnbaar tegenstrijdige waarheden : a) de leer van des menschen volstrekte afhankelijkheid van God en b) Gods gebod, dat vervulling eischt en dus het lot in des menschen hand schijnt te stellen.

4. De samenstemming tusschen deze beide waarheden wordt gevonden in deze hoofdwaarheid, dut alles uit, door en tot God is, en dat dus de zonde „niet tegen maar overeenkomstig Gods wil voor eenen bij hem bepaalden tijd, met de beste oogmerken bestaat, ten einde den mensch tot hooger zaligheid op te leiden, waartoe hij zonder te zondigen niet konde opgeleid worden."

5. Wie zich niet volstrekt afhankelijk gevoelt kan niet op God vertrouwen.

6. Als de zonde niet uit God was, dan hield God op een eenig God te zijn, dan zoude er een oorzaak buiten Hem bestaan, sterker dan Hij.

7. 8. De zonde is geen toeval, maar is opgenomen in Gods heilsplan.

9. Daarom geeft de zonde geene schuld, die wordt toegerekend.

10. Het denkbeeld van schuld is ontstaan door het gebod en

11. door de verkeerde meening, dat de mensch uit zich zelve iets kan doen of moet doen.

12. De algemeene verlossing.

13. Deze leer reinigt ons van doode werken, geeft de eer aan God en bewaart ons ervoor, onzen vijand kwaad voor kwaad te vergelden.

14. God wordt dan beschouwd als Heer en Eigenaar van alles. Zijn wil wordt gedaan. Wij hebben God lief boven ons zeiven en onzen naaste als ons zeiven.

1"», 16. Het gebod, ten leven gegeven, wordt ten dood.