Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hetwelk den Geest is van den Antichrist, die zich tegen God stelt", (i)

De leer van Gods onbeperkte souvereiniteit alleen kan den mensch aan God onderworpen maken, daarom noemde Muller ze in de bovenaangehaalde vr. 26, als een geloofsartikel, noodzakelijk tot de zaligheid.

In gelijken geest spreekt hij ook in „het Eeuwig Evangelie": „hoe zal ik door de waarheid, namelijk, dat God, als opperheer, die alles om zich zeiven gemaakt heeft, van wien ik volstrekt afhankelijk ben, onderworpen gemaakt kunnen worden tot zaligheid, indien ik geloof of leer, dat ik eene magt heb, of uit eene grond werk alsof ik eene magt bezit; en dat ik door eenen vrijen wil, die boos is, Gods goeden wil en magt wederstreven en te niet maken kan?"(2)

„Maar" — vraagt Muller — „we spreken toch van: iets doen tegen Gods wil"? Dit is slechts eene menschelijke wijze van uitdrukking, „voor zooverre als zulks van des menschen zijde beschouwd wordt" (3), zoo luidt het antwoord.

Op gelijke wijze getuigen ook de andere broeders.

Heystek vraagt: „Het hangt immers van den mensch af, zich al of niet te bekeeren? Volstrekt niet, want dan zoude niemand zalig worden." (4)

De noodzakelijke gevolgtrekking uit dit strakke determinisme bemerken wij in de nu volgende beschouwingen over zonde, schuld en straf.

***

3. ZONDE - VAL - GEBOD.

Nu moest men direct komen te staan voor het probleem der zonde. Als er niets gebeurt buiten of tegen den wil Gods, dan is ook de zonde niet tegen maar naar Zijnen wil. Muller aanvaardt deze consequentie.

Alles is uit, door en tot God — dus ook de zonde.

„Het is waar, er schijnen, in den eersten opslag van het oog, veel zwarigheden tegen die leer, dat God de oorzaak is van de zonde, die wij doen, of dat Hij dezelve

(') id. vr. 6.

(') E. E. blü. 8.

(') Muller vraagboekje vr. 9.

(4) Heystek vraagboekje blz. 29,

Sluiten