Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft bestemd, ingebracht te kunnen worden, doch deze zullen wij op zijne plaats opruimen. Maar tegen die leer, dat God de oorzaak van dezelve niet is, zijn wezenlijke zwarigheden in te brengen; want indien dit waar was, dan hield God op één eenigen God te zijn; dan zoude er eene oorzaak buiten Hem bestaan, die, gevolgelijk, sterker in het kwade dan Hij in het goede zou moeten zijn; en van zoodanig wezen kan God onmogelijk veroorzaker zijn, dus moest dat wezen dan ook uit en door zich zeiven bestaan; en dan zouden er twee wezenlijke of eerste oorzaken aanwezig zijn, te weten, ééne van het goede en ééne van het kwade; en deze laatste zoude wel de sterkste moeten wezen, dewijl zij tegen den wil van den oorsprong van het goede, het kwade konde werken." (')

Duidelijk genoeg. Maar is er dan nog wel reden om van „zonde" te spreken?

We wezen reeds op vr. 26 uit Mullers vraagboekje:

„Al hetgeen ik ooit gedaan heb, is overeenkomstig de wille

Gods geschiedt."

Ook Heystek spreekt van „een alles werkend God. Zijne is de dwalende en die doet dwalen, want God heeft zelfs het menschdom in onderscheidene dwalingen laten komen, om hen door de gevolgen hunner bedrijven te leeren" (2)

En elders: „Is God dan toch de oorzaak der zonde? Als men dit Gode betamelijk verstaat, ja! Hij is de eerste en de laatste, die den smid en den verderver zeiven heeft geschapen om te vernielen, Job. 12: 16. Bij Hem is kracht en wijsheid. Zijns is de dwalende en die doet dwalen." (3)

God heeft dus de zonde gewild en bewerkt.

Hoe kan Hij die willen? Om een antwoord op deze vraag te kunnen bekomen, moeten wij vragen naar het goddelijke doel van de zonde. Dat is: om den mensch te volmaken.

Omtrent den „staat der rechtheid" voor den val, oordeelt Heijstek : De mensch is goed geschapen, maar goed is nog niet volmaakt.

(') E. E. blz. 9.

(*) Vraagb. bh. VI.

(5) id. blz. 23.

Sluiten