Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een kind is niet kwalijk geschapen, omdat het nog in alle opzichten, lichamelijk en geestelijk, moet ontwikkelen, opgroeien en door ondervinding leeren; de mensch is heerlijk en goed geschapen, doch met betrekking tot de toekomst nog onvolmaakt." (')

Muller schrijft:

„Adam was recht en naar Gods beeld geschapen, niaar hij konde in dien staat niet regt en goed blijven, omdat hij den tweeden Adam, die uit den Hemel is, niet bezat, want hij was uit de aarde, dus aardsch !" (')....

„Maar de heidelbergsche catechismus zegt toch, dat Adam in dien staal van regtheid hadt kunnen blijven ! Dat wederspreekt zich vanzelf, want indien zulks waar is, dan zoude zulks ook geschiedt zijn, doch de uitkomst heeft zulks anders getoont, waardoor gebleken is, dat Adam van dien boom der kennisse moeste eten; ten ware men zoude willen vaststellen, dat er bij God geen vooraf bepaald besluit bestondt, en geen bestuur over zijne schepzelen plaats hadt, zoodat Hij maar moest afwachten wat er van de zaak zoude worden, en dat Hij zich dan naar die uitkomst zoude schikken en zijne zaken inrigten." (3)

De Zwijndrechtsche broeders zijn dus Supralapsariërs, volgens hen is de zondeval door God gewild en veroorzaakt — de mensch ^ moest vallen, om door dien val tot hoogere ontwikkeling te komen.

■ Maar onder hunne beslist-deterministische beschouwingen mengen zich andere elementen, restanten van de hier verworpen opvattingen van 's menschen vrijheid en verantwoordelijkheid.

„God had den mensch geschapen als een redelijk, vrijwillig werkend wezen, met eene inwendige neiging • en begeerte naar meerdere volmaking, gelijk God alles geschapen had om te volmaken." (4)

Dit „vrijwillig werkend" past niet in Mullers systeem en evenveel malen als hij een dergelijke uitdrukking bezigt, weerspreekt hij zich zeiven — op andere plaatsen leert hij dan ook nadrukkelijk

(') Vraagb. blz. 2U. (') Vraagb. vr. 22. (5) Vraagb. Yr. 23.

(») E. K. blz. 22.

Sluiten