Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een heerlijk beeld van den gelukstaat van denzelven, na zijnen val, boven zijnen Broeder die niet afgevallen was."' (')

Wat het wezen van den zondeval was, verklaart Muller aldus: „De oorzaak nu, waardoor de redelijke mensch bewogen werd, hetzij door ware- of door schijnredenen, en uit eene neiging of begeerte tot meerdere volmaking is werkzaam geworden, was niet kwaad in deszelfs beginsel, doch hem ontbrak het licht of de ware kennisse Gods, die noodig was om niet verleid of misleid te worden : welk licht wel in Christus maar niet in Adam was; want Adam, uit de aarde aardsch zijnde, was in gevaar om in het kiezen van middelen en wegen tot dat einde, hetwelk hij bedoelde, namelijk meerdere volmaking, mis te tasten ; en, in plaats van daartoe bevorderlijk, integendeel schadelijk werkzaam te zijn. Dit was het geval met Adam, die het licht, dat in Christus was, tot daartoe onthouden werd, maar met de beste oogmerken : want ofschoon het hun gezegd was, niet te moeten eten vqn dien boom. bleef hem zulks, bij voortduring, niet zoo levendig bij, als hem zulks voorkwam, toen hij het getuigenis ontving. Zijne neigingen waren sterk om in volmaking toe te nemen, de aanleidende omstandigheden gaven, schijnbaar, eene getuigenis, dat met zijne denkbeelden instemde.

De boom was begeerlijk, dewijl Hij scheen verstandig

te kunnen maken." (*)

We begrijpen heel goed, dat Muller moeite moest gevoelen, het ontstaan der zonde begrijpelijk te maken. Een zondig beginsel, dat reeds vóór den zondeval tegen God werkte, kon hij natuurlijk niet erkennen.

Adams streven was dus niet verkeerd „in deszelfs beginsel", hij volgde slechts den drang naar volmaaktheid, dien God hem liad ingeschapen ; alleen ... hij koos het verkeerde middel hij tastte mis.

Maar nu blijft Muller in de innerlijke tegenstrijdigheid vast zituen.

/n g 24.

'n Wonderlijke exegese, voorwaar 1 Deze gelukstaat is toch zeker niet die ▼an den „verloren' zoon, ajjn „staat" in Let vreemde land, maar die van den

wrtTueht:rdeii verloren zoon ? , ,

Ën de oudste broeder is toch zeker niet het type van den uienseh coor den

zondeval.

(») E. E, blz. 22.

Sluiten