Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door middel van het door hem geschapene, tijdelijke z.g. kwaad werkt Hij het eeuwige goede.

Als. Muller zegt: „Het goede komt meer onmiddelijk van God, uit zijne natuur voort; en heelt gemeenschap met Hem. Het «cwade dat wij doen is, door middel van de natuur der schepping of de natuurlijke gesteldheid des menschen, door God in de wereld gekomen," ('), dan is dat een zwakke poging om het begrip „zonde" nog te kunnen redden uit het gedrang der consequenties.

De zonde moge middellijk in de menschheid zijn gekomen — door de „natuurlijke gesteldheid des menschen of door den „verleider" — ten slotte toch ergens ««middellijk uit God.

En elders verklaart Muller dan ook : „God heeft zichzelf, uit liefde tot zich zeiven, en tot zijne schepselen, bepaald, om de zonde, in de Engelen en menschen te doen geboren worden, dewijl noch Engel noch mensch tot die hoogte van gelukzaligheid, voor welke Hij hen bestemd hadde, konde worden opgeleid, zonder de tusschenkomst van de zonde." (*)

Als God nu de zonde zelf bewerkt heeft, strijdt Hij dan niet tegen zijn eigen wezen? Is de zonde niet in strijd met Zijne heiligheid?

Muller antwoordt:

„Zelfs de zonden, hoe strijdig ook met zijne heilige en regtvaardige natuur, en die Hij toch niet eeuwig doen blijven zal, maar dezelve slechts wil voor eenen bij Hem bepaalden tijd, tot heil zijner schepselen, zijn ook een schakel aan de groote keten der, door Hem. verordineerde gebeurlijkheden, tot geluk zijner schepselen, en tot verheerlijking van zijnen nooit volprezen naam, welke het einde is en zijn zal van al zijne volheerlijke werken. Verstaat dit niet alleen van de werken der schepping, maar ook van dat werk, hetwelk tot verdere volmaking der menschen noodig was, waartoe ook de zonde en afval der Engelen en menschen dienen moesten." (3) De zonde strijdt dus eigenlijk niet met Zijne heiligheid, want 1°. God wil de zonde slechts voor eenen bepaalden tijd — daarbij 2®. moet ze leitien tot een goed doel.

Naast deze beide argumenten plaats Muller nog een derde:' „Uit Zijne eeuwige, vleklooze, heilige, reine natuur wil

(1) E. E. blz. 5. (') E. E. "bïz. 11. (») E. E. blz. 10.

Sluiten