Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God de zonde niet — [maar] omdat Hij voornemens is, ons eindelijk daarvan te verlossen, wil Hij de zonde voor een tijd lang; doch ook maar juist zoolang, als zij tot bereiking van Zijn oogmerk, voor ons, dienstbaar zijn... zoodat zijne wil, met welke Hij de zonde wil, doch welke Hem niet natuurlijk eigen is... ons, wanneer de zonde heeft uitgedient, tot dankbare liefde, jegens Hem, opwekt. Zoo ook zijne wil, door welke Hij de zonde niet wil, die wil is Hem natuurlijk eigen, en verstrekt ons tot een regel en maatstaf onzer daden, want de verborgen dingen zijn voor den Heere onze God; maar de geopenbaarde voor ons en onze kinderen, om te doen alle de woorden der wet." (») (Deut. 29: 29)

Een wonderlijke onderscheiding van twee willen in God : een „natuurlijk-eigen" wil en een wil „die Hem niet van nature eigen is". Vanwaar dan dat „niet-eigene" in Hem, uit wien alles is?

En het allerwonderlijkste is dan, dat de hoogere ontwikkeling van het menschdom juist tot stand komt door den wil, die aan God van nature niet eigen is.

Vernuftig is zeker de tekst Deut. 29:29 toegepast, Muller wil er mee zeggen: Wij hebben in ons leven slechts rekening te houden met dien geopenbaarden natuurlijk-eigen wil van God, die ons de zonde verbiedt, zonder te redeneeren over Zijn verborgen doeleinden. We gevoelen, dat hier het zwakke punt van Mullers beschouwingen ligt en staan daarom wat uitvoeriger stil bij zijn zondebegrip. Noodwendig moest daaruit weer volgen een verslapping van het verantwoordelijkheidsgevoel.

Muller voelt het zelf en al zegt hij ons niet rechtstreeks, hoe hij nog des menschen verantwoordelijkheid wil handhaven, hij wijst er toch heen in zijn vraagboekje :

„Is het geen schadelijk leerstuk, dat God de zonde zoude willen en zou den mensch daaruit niet besluiten kunnen, dat het dan hetzelfde is, hoe dat men leeft? „Zulks volgt niet uit de bovengemelde leer — wij zijn van gisteren en dragen wel kennis van het voorledene, doch zijn onkundig omtrent het toekomende, doch wij hebben met betrekking tot de toekomst eene zekere regel in ons zeiven, en worden daarin door Gods woord bevestigd, want hetzelve zegt ons: „Heb God lief boven (') E. E. blz. 30.

Sluiten