Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel der levensuitingen enkele — willekeurige! — dingen bevelen en andere verbieden.

Goed en kwaad hebben geen realiteit in Gods wezen, maar hangen af van Zijne bepalingen, en om in Mullers termen te spreken : „Gods eeuwige, vleklooze, heilige, natuurlijke wil" wordt door Zijnen „niet natuurlijk-eigen wil" op non-activiteit gezet.

Dat gebeurde eenmaal, toen God de „zonde", die Hij eigenlijk niet kon willen, in de schepping bracht; dat gebeurt telkens, als de absoluut afhankelijke mensch „zondigt."

Dat niet meerderen met Maria zedelijk schipbreuk geleden hebben op hunne opvatting van de zonde, is.... ondanks hunne leer, door eene gelukkige inconsequentie.

In één opzicht droeg deze beschouwing van de zonde eene goede vrucht, namelijk in de zachte beoordeeling van den medemensch. In bijna alle brieven hooren we denzelfden toon, als waarin zuster Valk aan Maria Leer schreef:

„Wij rekenen u de minste schuld niet toe. Dewijl het anker onzer zielen vastligt in dezen grond, dat alles uit, door en tot God is, dat Hij, ['] met eerbied gezegd, dat God den dwalende is en dat Hij doet dwalen."

Muller schrijft:

Een Joseph ziet God in den boozen handel zijner broederen. (') Een David zag God in zijnen vloeker, zeggende: Laat hem vloeken, de Heere heeft het hem geboden. (*) En onzen Oversten Leidsman en voleinder der Zaligheid, zag de werken van menschen alleen aan als tweede oorzaken, die van de eerste oorzaak afhingen — want aldus was zijn woord: „Gij zoudt geene macht tegen mij hebben, zoo zij u niet van boven (dat is, van mijnen vader) gegeven ware, volg. Joh. 19: 11. Door Hem zien wij ook dat alles uit God is, waardoor wij met en door Hem, bevrijd blijven om onzen vijand kwaad voor kwaad te vergelden; noch schelden voor schelden; en daardoor worden wij en alle heiligen, met en door Hem in staat gesteld, om voor onze vijanden te bidden." (3)

[>1 Het handschrift heeft hier het onverstaanbare „Hem", (i) Gen. 50: 20. (») 2 Sam. 16: 10 en 11.

(*) E. E. blz. 10-17.

Sluiten