Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. SCHULD.

„Daar dan alles naar Gods raad en wil, met de beste oogmerken geschiedt, zoo volgt daar uit, dat er door de zondigende daden der menschen, voor hen geene schuld bij God kan veroorzaakt zyni _ noch dat Hij daar over vertoornd zoude kunnen wezen, — noch zijne liefde jegens ons verminderd hebben: want dat zouae in God geene deugd zijn; omdat vertoornd te wezen over daden, die met zijnen wil overeenkomstig zijn, (daar toch niemand zijnen wil kan wederstaan) en die dan toch te willen straffen, onregt-

vaardig zoude wezen'. (')

Duidelijk genoeg gezegd! Het is een noodzakelijke gevolgtrekking uit hun absoluut determinisme en geen wonder is het dan ook, dat Muller het woord uit 1 Joh. 1: 9 „God is rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve" in dezen geest uitlegt.

„Daarom heeft God Jezus Christus gesteld tot eene betooning van zijne genade en regtvaardigheid, dat Hij de zonde niet wilde toerekenen. Er wordt ook gezegd, indien wij gezondigd hebben: „Dat Hij regtvaardig is, dat Hij ons de zonde vergeve". (2)

Muller negeert hier echter heel handig het verband, dat juist zoo sterk hem wederspreekt: „het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde. Indien wij zeggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij ons zeiven" 1 Joh. 1 : 7 en 8.

„Wij hebben geene schuld bij God ! Het begrip „schuld" is weer — 'zooals ook het begrip „zonde" — eene menschelijke opvatting.

... niet zoo als men thans leert, dat Jezus bij zijn Vader onze schuld betaald heeft, want die hebben wij bij God niet, maar wel alleen in ons onrein geweten, door

de uitspraak der wet." (3)

„Het is derhalve onkunde, dwaasheid en ongerechtigheid te leeren, dat God ons schuld zoude toerekenen en straffen: die zulks leeren, staan in denzelfden geest met den luijen en boozen dienstknecht, die oordeelde ook alzoo, te weten, dat zijn Heer een straf mensch was, die vergaderde waar hij niet gestrooid had." (4)

$ T ^ W? E25blZZoo zegt Muller ook in „de waarheid van Gods Vrjjmagt": niet vrêezènde'voor uwe schuld, want die hebt gij maar in u zeiven. Handachr. prot. Heringa blz. 25.

(4) E. E. blz. 27.

Sluiten