Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog veel minder kan dus bij Mullers opvattingen sprake zijn van erfschu\d. „Een fabel is het, dat God ons Adams zonde toerekent, die wij toch'niet gedaan hebben,... hetwelk tegen de schri't aanloopt, alzoo dezelve duidelijk zegt: „De zoon zal niet dragen de misdaad zijns vaders." (*)

Zooals we hierna zullen zien, ontkent Muller dan ook even sterk de andere zijde: toerekening van Christus' gerechtigheid,.'"

Onze nienschelijke opvatting van schuld is een misverstand, voortspruitende uit onze gebrekkige kennis van God en uit de >,dwaling", dat God iets van ons vraagt en dat wij iets zouden kunnen en moeten doen.

Maar het „nieuwe licht" geeft helderheid. Het 22ste lied van de Christelijke Broedergemeente liet hen aldus zingen : „Uw kennis onze ziel vervuldt O God 1 gij zijt ons leven

Hebt eeuwiglijk verdreven Van ons, de mening van de schuld.

Ons doet uw liefdedaan

Verrukt ten rije gaan." (*)

* *

*

5. GODS GEZINDHEID JEGENS DEN MENSCH. STRAF.

Zooals reeds bleek uit de beschouwingen van zonde en schuld staat — volgens Muller — God niet tegenover den mensch als een vertoornd, beleedigd monarch. In geen enkel opzicht! De mensch heeft slechts den wil Gods ten uitvoer gebracht — een rechtvaardig God kan dus niet vertoornd zijn „het zoude zelfs onregtvaardig zijn, zoo God den mensch zoude willen straffen, om daden, die de mensch moest verrigten, naar Gods vrijmagtig, wijs en liefderijk oogmerk." (3) Ook als de rechtvaardige kan God zich niet anders openbaren, dan zooals Hij zich openbaart in Zijne eeuwige liefde.

„De waarheid van Gods vrijmagt" zegt, dat God de menschen tot zich trekt, zonder hun hunne zonden toe te rekenen. Als zij nog niet volgen, dan is het, wijl zij het nog niet kunnen. „Het doel

') E. E. Voorrede blz. VII. ') Obeloo. Voorlezing blz. 9. >) E. E. blz. 5, 6

Sluiten