Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We zien, dat ook bij Heystek het werk van Christus opgaat in Zijne leer. Het middelaarschap betreft 1° de godsopenbaring, 2o _ in verband daarmede — de wegneming onzer vooroordeelen.

Maar Heystek heeft nog eene andere verklaring.

„Waarin is hij ook nog onze Middelaar? Om ons ook met elkander te verzoenen en tot een te vergaderen door de waarheid, om onze naasten zoo lief te hebben als ons zeiven, waardoor alle schijnbare reden van vijandschap door het geloof in God verdwenen wordt." (')

Christus is dus tusschenpersoon der verzoening.

Hij brengt den mensch weer tot God en de menschen onderling

tot elkander.

Middelaar bij den mensch, maar niet bij God — slechts profeet

geen priester.

We hooren ten slotte nog, hoe Heystek het begrip „Borg'

omschrijft.

„Hoe is hij onze Borg ? Door al zijne navolgers in hunne lijdende omstandigheden, in hunnen veelvuldigen en aanhoudenden tegenstand en in de schijnbare onmogelijkheid van ooit over de macht der duisternis te zegenvieren, met zijn eigen voorbeeld te versterken, te vertroosten en

te verlevendigen.

Hij is ook borg, dat wij langs geenen anderen weg dan hij bewandeld heeft, zalig kunnen worden." (J)

We hebben hier zeker niet de gewone beteekenis van het begrip „Borg"; Heystek denkt misschien aan de uitdrukking: „Hij staat er borg voor" — door Zijne overwinning — dat de zege mogelijk is, maar alleen zóó mogelijk.

Christus is de Leeraar, „de waarheid", zooals Hij met een zekere voorliefde genoemd wordt, „de weg", — maar toch eigenlijk niet

meer dan de wegwijzer!

Onverklaard blijft nu echter de beteekenis van Christus' lijden en kruisdood. Waarom moest Christus nu juist lijden om ons Gods liefde te openbaren?

Muller antwoordt; „om daarmede te betuigen „zoo lief heeft mijn Vader alle menschen, dat Hij liever van u allen hoon en smaad verdragen wil; en door uwe handen aan het kruis genageld en gedood wil worden" (3)

(>) Heystek vr. 9. t. a p. (") id. vr. 12

(') E. E blz. 6.

Sluiten