Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als ik goed zie, dan is dit in het kader van Mullers beschouwingen slechts zóó te verklaren * de mensch moest zien, dat God hem zóó lief had, dat Hij er alles voor over had, om hem bekend te maken met Zijne gezindheid. Hoe zwaarder Jezus' levensweg nu gemaakt werd, des te sterker zou de mensch in Gods liefde gelooven. Maar het lijden had nog een ander doel n.1. als voorbeeld. En dit brengt ons tot de bespreking van het tweede deel van Jezus' werk.

Hij is niet alleen goddelijk leeraar, ook goddelijk voorbeeld.

Muller zegt niet alleen; „Christus komt om ons zalig te maken, dat is om ons te verlossen van dat denkbeeld, dat wij een vermogen hebben om iets te kunnen doen of laten", maar ook : „Christus komt als voorbeeld". (*)

En ook als voorbeeld heeft Zijn lijden dus beteekenis.

Heijstek vraagt: „Waarom heeft Jezus dan moeten lijden en sterven ?" Het antwoord is :

le. om tot het uiterste toe de liefde, de waarheid en de gerechtigheid openbaar te maken; 2e. om daardoor Gods gezindheid te doen kennen, welke, evenals Jezus, wanneer hem de gansche wereld lastert, nog onveranderlijk zijn schepsel blijft liefhebben; 3e. om zelf daardoor volmaakt te worden, en 4e. om alle geslachten daarin voor te gaan, ten einde zich zelve geheel tot heil van het schepsel aan Zijnen Vader op te offeren." (2)

Voor een plaatsvervangend lijden is bij geen der broeders plaats — en toch schemert nog bij wijlen een restant van de oude opvattingen door, b.v. :

„daar Hij ons die zaligheid niet konde deelachtig maken, dan door dien weg van kruis en lijden ; tot den dood toe, heeft Hij Zijn leven niet lief gehad, maar is er in (in den dood) gegaan, en heeft Zijne ziel tot een schuldoffer gestelt." (')

Hoe Muller dat „schuldoffer" verklaren wil, is mij niet duidelijk.

Soms is het curieus, hoe met de eene hand gegeven wordt, wat door de andere weer wordt ontnomen. Heijstek zegt : „zoo verlost Jezus ons van schuld, vloek en toorn, door ons bekend

(') Muller vraagboekje vr. 32.

(•) Heijstek Hoofdst. 8 vr. 11.

(>) E. É. bh. 28.

Sluiten