Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om Jezus wil, daar toch de zending van Jezus juist een bewijs is, dat God ons reeds lief had, toen wij nog zondaars waren" en „dat God dengenen die gelooven, de geregtigheid van Christus, zoo toerekent". (*)

— Ik wijs er nog terloops op, dat Muller hier bedoelt: „Een fabel is het, dat Jezus God met ons zou verzoenen," dat bestrijdt hij; niet, zooals hij zegt: „dat Jezus ons met God zoude verzoenen", want dit laatste belijdt Muller wel. —

In de verwerping van het leerstuk der voldoening zijn de broeders weer eenstemmig. Daar is slechts eene enkele passage in hunne geschriften, die ons het tegendeel zou doen vermoeden.

„Het smart ons, dat UE. meent, dat wij een andere Christus belijden als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, Christus is een oorzaak onzer zaligheid geworden, aan het Regt der wet heeft Jezus Christus niet voor hem zeiven maar voor ons voldaan".

Dit klinkt ongewoon, maar in het vervolg komen de tradities der broederschap toch weer duidelijker naar voren. Er wordt nadruk gelegd op gehoorzaamheid aan Jezus' leer :

„dat is nu het gedurig offer dat God weder bij en onder ons heeft ingevoerd en hetwelk uit alle Kerkgenootschappen is weggenomen, en daarvoor in de plaats gesteld, de gruwel der verwoesting, waardoor de Menschen op eene wettische wijze geleerd worden, dat Jezus voor hun bij God voldaan heeft en dat te geloven door Eyge kracht zij dan behouden zullen worden" (*) „Verleidend" noemen de Nieuwlichters deze leer, 1° omdat de mensch daardoor bevestigd wordt in zijne valsche meening, dat God iets van hem eischt en dat hij dus iets zou kunnen doen en 2o — een geheel tegenovergestelde dwaling! — omdat de mensch zou kunnen meenen, dat hij nu alles van zich af kan schuiven op Christus' werk; „om dat eyge aardschgezint leven nu te behouden grijpt de mensch Jezus als een offer aan, om de vertoornde Godheid naar zijne meening daarmede te bevredigen" (3) „Maar heeft Jezus dan niet om onze zonden geleden en is hij niet voor dezelve gestorven ?" zoo vraagt Muller. (*)

(') E. E. voorrede blz. VII.

(*) Een anonyme brief. Copieboek D. 15 Aug. 1849

8 brief van Valk d.d. 24 Juli 1849.

vraagb. vr. 36,

Sluiten