Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvoor de Goddelooze anti-kristische Magt den oorlog als het beest, en de valsche propheet, als de algemeene Sectenleer door Gods almagt gegrepen worden, en in de vuurpoel van verwoesting zal geworpen worden."

Bijzonder veel oplettendheid wijdden de broeders aan de socialistische stroomingen in Frankrijk.

i De St.-Simonisten begroetten zij als medewerkers — al voelden zij zich niet in allen deele geestverwanten met hen.

Obeloo wijst met nadruk op Frankrijk.

„In het laatst der vorige eeuw zagen wij de aarde eene hemelspreuk, de leus der Engelen en kinderen Gods, te weten die der Vrijheid, gelijkheid en Broederschap, toebedeelen — alhoewel de Herauten of aankondigers het voorkomen daarvan niet bezaten; maar wie weet ook niet, dat eertijds eenen Bileam het volk van God moeste zegenen, alhoewel zijnen Geest met hen niet vereendt was... of dat eenmaal eenen Cajaphas zeidde: „het is nut, dat één mensch voor het volk sterve." .... Ziet eens welke heerlijke vruchten ter dezer tijd door diezelfde geest de aarde worden aangeboden. Ik bedoel het werk der St.-Simonisten, die door God gebruikt worden om de aarde verder om te ploegen, op dat dezelve bekwaam worde, om het zaad der Godheid te ontvangen, opdat eenmaal in geest en waarheid de vrijheid gelijkheid en Broederschap daarop moge stand grijpe." (')

Het was geen wonder, dat men in het St.-Simonisme een bondgenoot begroette. Behalve de verwantschap in maatschappelijke idealen gevoelde men den gelijksoortigen, godsdienstigen ondergrond.

Had St. Simon in zijn testament — zijn „Nouveau Christianisme" — niet als zijn vaste geloof verklaard, dat de nieuwe richting moest gedragen worden door den godsdienst — en lag de kiem van dien godsdienst niet in het Oude Christendom, de religie van broederliefde ? Vooral Enfantin met zijn pantheistische neigingen kwam dicht bij hunne godsdienstige beschouwingen te staan.

Mr. Quack wijst er op „dat de formule van Enfantin van 28 November 1831 niet zoover afstond van wat de turfschippers hier te lande beleden :

(') Voorlezing blz. 12.

Sluiten